Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. Het Wezen van de Religie

Ter aanduiding van de innige betrekking tusschen den Volzaligen God en ons menschelijk hart geven wij aan het woord religie de voorkeur boven dat van Godsdienst. „Religie toch doelt op het in den haard der ziel doorleefde proces van gemeenschap tusschen God en zijn schepsel, terwijl Godsdienst ons meer bepaalt bij hetgeen van die relatie het naar buiten tredende gevolg is". De Voorrede van de Statenvertaling spreekt dan ook zoowel van de „Oprechte, ware, Christelijke, Gereformeerde Religie" als van den „zuiveren Godsdienst".

Bij het licht der Heilige Schriftuur zagen wij, hoe de religie ontstaan is.

En zoo kunnen wij thans een onderzoek instellen naar het wezen, het karakteristieke, van den Godsdienst.

Wij vernamen reeds, hoe velen heel de religie laten opgaan in de poging des menschen, om zich de gunst te verwerven van die machten, die in staat zijn van hem af te keeren de onheilen, waarmede de natuur hem bedreigt.

Nu gevoelt gij aanstonds, hoe op dit standpunt de verhouding tusschen God en den mensch al op eene zeer af-

!) Lactantius (Instit. div. 4. 28) zegt: Hoe vinculo pietatis obstricti deo et religati sumus; unde ipsa religio nomen accepit, non, ut Cicero interpretatus est, a religendo. Religion ware also das Gebundensein, bzw Sichgebunden wissen, von einer höheren Macht. Diese, eine Zeitlang ganz fallengelassene Erklarung, welche logisch nichts zu wünschen übrig liesse, aber etymologisch etwas weniger wahrscheinlich ist, findetneuerdings wieder namhafte Vertreter. Dass von religare das Subst. „religio" gebildet wurde, ist in der Tat möglich, wie die Beispiele, optio, rebellio, internecio, von optare, rebellare, internecare u. a. beweisen (Von Orelli Allgemeine Religionsgeschichte '2, I, S. 2).

Sluiten