Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t gebed wordt gevonden schijnt nog niet met zekerheid uitgemaakt te kunnen worden) maar ook zeer beslist het geloof aan eene openbaring, aan eene mondelinge of schriftelijke mededeeling van de Godheid behoort.

In verband met dezen voorwerpelijken Godsdienst staat nu de religiositeit, de religieuze gezindheid des harten.

Ik kan hier zoo algemeen mogelijk spreken. Elk mensch toch is religieus aangelegd. Of om met CALVIJN te spreken, diep in elke menschenziel heeft God het zaad der religie gelegd. En onze Confessie gewaagt van de kleine vonkskens van Gods beeld, die in den zondaar zijn overgebleven en die genoegzaam zijn om hem alle onschuld tegenover God te ontnemen.

Nooit genoeg kunnen wij dan ook bedenken, dat zoolang de conscientie nog niet als met een brandijzer is toegeschroeid, deze religieuze gezindheid bij ieder mensch gevonden wordt.

Ik bedoel hiermede niet, dat in vroeger eeuwen terecht gepoogd is eene Theologia naturalis uit dit zaad der religie en de algemeene openbaring des Heeren op te bouwen — onder welke natureele Theologie men dan verstond eene niet zoo omvangrijke (als de op bovennatuurlijke wijze geopenbaarde) maar dan toch wel zuivere kennis van God en enkele zijner deugden. Neen, deze in den grond der zaak Roomsche voorstelling mogen wij niet huldigen.

Immers zien wij het duidelijk, dat het zaad der religie, alleen met de algemeene openbaring Gods in de natuur, de historie der volkeren en de conscientie in aanraking komende, bij den heiden niet eens leidt tot een verstandelijk geloof in den eenigen, waarachtigen God. Integendeel. Er valt ook niet het minste af te dingen op dit ernstige woord van den apostel Paulus: „De heidenen zijn verijdeld geworden in hunne overleggingen, en hun onverstandig hart is verduisterd geworden. Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden. En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch, en van gevogelte en van viervoetige en kruipende dieren". (Rom. i :2i—23).

Ook staat vast, dat de religieuze gezindheid de onwedergeborenen, die de bijzondere openbaring Gods van nabij kennen, niet vermag te bewegen de waarheid Gods met een

Sluiten