Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r

wezen der religieuze levens- en wereldbeschouwing uitmaken. En als wilde hij allen twijfel aangaande zijne opvatting wegnemen, zoo deinsde hij niet terug voor deze vermaarde uitspraak: „Er kan godsdienstig geloof, godsdienstige wereldbeschouwing zijn ook waar het geloof in een Hoogste Wezen niet gevonden wordt, en onafhankelijk daarvan verdient elke wereldbeschouwing den naam van eene godsdienstige, die gegrond is in het geloof in eene zedelijke wereldorde" (blz. 86). Eene uitspraak al even droef als die andere, dat God slechts „een schepsel der dichtende verbeelding is", met welke woorden hij niet bedoelde het bestaan van God te ontkennen, maar waarmede hij uitsprak, dat hij het bestaan Gods alleen aannam op grond zijner dichtende verbeelding.

Rauwenhoff ging dus al heel ver.

En het schijnt dan ook wel, alsof hij zelf besefte, dat zonder geloof in God toch eigenlijk niet van religie sprake kan zijn. Maar in plaats van op zijne schreden terug te keeren en het geloof in God voor onmisbaar te verklaren, heft hij de zedelijke wereldorde zoozeer op, dat ieder onbevangen beoordeelaar van zijn boek zal moeten erkennen, dat hij van haar een Wezen, het Hoogste Wezen maakt. Het begrip „Wezen" dat door de voordeur uitgedreven werd, keert (ook al heeft RaüWENKOFF zelf het niet gevoeld) eenvoudig door de achterdeur terug. Of ken ik toch feitelijk niet aan de zedelijke orde persoonlijkheid toe, wanneer ik met RAUWENHOFF belijd: „De zedelijke orde is de met absoluut gezag optredende wetgeefster, die onze verhouding tot onze medemenschen aan hare rechtspraak onderwerpt en die ons altijd een ideaal van iets hoogers en beters dan wij reeds zijn voorhoudt als iets, dat wij moeten trachten te bereiken" (blz. 362) f En wanneer ik niet schroom de zedelijke orde te omschrijven als „eene macht, die door zedelijke overtuiging en zedelijke indrukken, liefde wekt voor een ideaal, de stemming wijzigt, den wil richt, den moed wekt, de kracht staalt, die zelfbeheersching kweekt en zelfverloochening leert, die de levensrichting bepaalt, de levensbetrekkingen heiligt, de levenstaak helpt te volbrengen, die in den kampstrijd des levens voor de liefde de oppermacht zoekt en telkens meer bereikt, die zich in het bewustzijn der besten openbaart als het eenige, wat aan het menschelijk aanzijn blijvende waarde geven kan" (blz. 336)?

Sluiten