Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen de religie en de vormen (als daar zijn eene bepaalde leer en eene zekere wijze van Godsvereering), waarin de religie zich naar buiten openbaart.

„De godsdienstige mensch kleedt ten allen tijde zijne aandoeningen, gezindheden en gedachten in voorstellingen en begrippen en uit ze in handelingen en ceremoniën. Uit de eerste (voorstellingen) groeit een leer, die bij voortgaande beschaving in oorkonden en belijdenisschriften wordt te boek gesteld, en de laatste (ceremoniën) worden tot een eeredienst tot wier uitoefening hij zich met geestverwanten en gelijkgezinden in grooter of kleiner gemeenschappen verbindt" (blz. 161). Het gaat dan ook niet aan de uitwendige openbaringen, de waarneembare verschijnselen van het godsdienstig bewustzijn als onbelangrijke bijzaken te beschouwen en de studie daarvan te verwaarloozen. Vooral verwerpelijk is het zeggen, dat het er niet op aankomt wat men gelooft en leert of hoe men aanbidt, mits men maar iets geloove en op eenigerlei wijze aanbidde.

Hieruit make men nu echter niet de gevolgtrekking, dat TlELE de onderscheiding tusschen den voorwerpelijken Godsdienst en de subjectieve religie of de religie des harten verwerpt. Integendeel. Onomwonden verklaart hij „Ik kan niet toegeven, dat de uitwendige vormen (leer en ceremoniën) tot het wezen van den godsdienst behooren, evenmin als ik mijn lichaam kan beschouwen als behoorende tot mijn wezen als mensch of meenen zou, dat het verlies van een mijner ledematen of zintuigen een vermindering mijner persoonlijkheid, mijner waarachtige menschheid zou zijn", (blz. 163/164).

Een onderzoek naar het wezen der (subjectieve) religie kan dus niet uitblijven.

TlELE is te zeer een man van wetenschap om niet gulweg te belijden: „De vraag, wat het wezen van den godsdienst is, is zeer moeilijk en ingewikkeld. Ik durf niet beweren, dat ik in staat ben haar volkomen bevredigend en haar voor goed op te lossen. Een bescheiden poging, meer zal 't niet zijn", (blz. 165).

En dan is het wel opmerkelijk, dat TlELE aanvankelijk meende, dat het geloof als het wezen der Religie beschouwd moest worden *). Immers hebben de Reformatoren het zoo

Ook in dit opzicht sloot hij zich bij Siebeck aan. „Das Christen-

Sluiten