Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook verstaan. Gelijk de tegenwoordige Theologen, die vasthouden aan de Schrift, er in den grond der zaak allen evenzoo over denken.

Ter toelichting van zijne vroegere meening schrijft TlELE: „Zonder geloof is er geen waarachtige, geen levende godsdienst. Neem het geloof weg uit de leer, en zij wordt een holle klank, een lippenbelijdenis, het opdreunen van een catechismus, waarvan men den zin niet begrijpt, iets wat mij altijd als een jammerlijke bespotting van het godsdienstig bewustzijn is toegeschenen. Neem het geloof weg uit den eeredienst en hij wordt een zinledig gebaar, een guichelspel als van chaldeesche bedriegers, een verachtelijke huichelarij als van den italiaanschen priester, van wien het verhaal gaat, dat hij tot Luther's ergernis onder 't opdragen van de Mis, bij 't wijden der hostie zeide: Brood zijt gij en brood zult gij blijven".

TlELE is echter op zijne vroegere meening teruggekomen. Een gevolg van het feit, dat hij onder geloof niet verstond het zaligmakend geloof, gelijk het in Zondag VII van onzen Heidelbergschen Catechismus zoo schoon omschreven wordt, maar het geloof meer in den algemeenen zin van het woord.

Hoor hem slechts uitroepen: ,,De religie is dood zonder het geloof. Maar dat geldt toch eigenlijk van heel ons geestelijk leven. Immers wat is ook het zedelijk leven zonder geloof in de werkelijkheid van het goede, in zijn macht en de mogelijkheid van zijn verwezenlijking, in zijn toekomstige zegepraal? Van de ware liefde is gezegd, dat zij alle dingen gelooft. Kan de man der wetenschap eene schrede doen op den weg des onderzoeks, zonder geloof in de eenheid der natuur, zonder geloof aan de mogelijkheid om haar wetten op te sporen, zonder geloof in de waarheid? Wie kan een waarachtig kunstenaar zijn, zonder geloof in de kunst en in zijn eigen kunstvormen? En van de andere zijde is er niet ook geloof in spoken, in booze geesten en heksen en bezweringen, dat wij wel bijgeloof mogen noemen, en dat ook niet meer dan een karikatuur van godsdienst is, maar niette-

tum setzt insbesondere das Wesen des Glaubens als ein aus dem innersten Bedürfnisse der Persönlichkeit entspringendes Verlangen nach Gott, u. s. w. (S. 188).

Sluiten