Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier is het dan ook de plaats om te wijzen op het bedenkelijke, dat aan het Methodisme eigen is.

Ik zie waarlijk niet voorbij, hoe groot het onderscheid tusschen de leer van Kant en de opvatting van het Methodisme is.

Voor Kant was God eigenlijk slechts een bijkomstig wezen, dat in zijn systeem kon gemist worden als zich hiernamaals eene andere wijze van het uitdeelen van loon en straf denken liet. Voor den Methodist daarentegen is God als voor ons het hoogst en eenig goed. Het allerbeminnelijkste en allervolzaligste Wezen. De springader van alle tijdelijke en geestelijke zegeningen.

Maar bij alle verschil is er toch eene eenheid van uitgangspunt. Immers richt het Methodisme schier uitsluitend het oog op het Christelijk leven en de Christelijke werkzaamheid. Voor de zuivere waarheid Gods voelt het bitter weinig. Het verstaat niet Jezus' woord, dat wij God ook met ons verstand moeten liefhebben.

Bedenkt slechts, hoe het genoeg is, om in hunne gemeenschap opgenomen te worden, dat men verklaart te begeeren den toekomenden toorn te ontvlieden. Ook dat er zelfs twijfel onder hen rees, of iemand wel den naam van orthodox verbeurde, wanneer hij geloofde, dat ten slotte alle menschen zalig worden, mits zij slechts voorbeeldig leefden.

Eene derde School, zoo zeide ik, meende, dat het wezen van de Religie school in het gevoel.

Ook hier waren het zoowel philosofen als Theologen, die deze meening voordroegen.

Van de wijsgeeren noem ik voor Duitschland den bekenden JACOBI, door wien het door velen herhaalde woord (een woord, dat van een even oppervlakkig als verderfelijk dualisme tusschen verstand en gemoed de uiting is) is gesproken: Ik ben met mijn hoofd een heiden en met mijn hart een Christen. En voor Nederland den Utrechtschen hoogleeraar opzoomer, die in zijn tijd zoovele pennen in beweging gebracht heeft.

JaCOb'i betoogde „Gelijk oog en oor de zinnelijke wereld buiten ons onmiddellijk waarnemen als werkelijk bestaande, in weerwil dat het verstand haar objectief bestaan betwijfelt of ontkent, zoo heeft de mensch ook een innerlijk orgaan of zielsoog, waarmede hij God en de bovenzinnelijke wereld

Sluiten