Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijl bij den hond reeds bespeurd wordt liefde voor zijn meester, gepaard met een gevoel van ondergeschiktheid en vrees, eigenlijk de aanleg tot religiositeit reede bij de dieren is te vinden. En dat die aanleg niet tot ontplooiing kwam, is eenvoudig te verklaren uit het feit, dat het dier te zeer opgaat in het zoeken naar spijs en drank.

Zoo eenstemmig als nu echter door het moderne denken de idéé van evolutie ook op het terrein der religie is overgebracht, zoo groot was tot voor korten tijd het verschil onder de religionsphilosofen, als zij zich uitspraken over de vraag, welke heidensche religie dan wel als de oudste beschouwd moest worden. Beweerde men toch, dat de oorspronkelijke vorm der religie thans bij geen enkel volk werd gevonden, men meende tegelijkertijd, dat bij één van die volkeren, die nog zoo goed als geen cultuur kennen, die godsdienst moet worden aangetroffen, die de meeste gelijkenis vertoont met den oudsten. Maar welk van die cultuurlooze volkeren en welke heidensche religie is dit nu?

Het zou mij veel te ver voeren, als ik al de antwoorden ging opsommen, die op deze vraag gegeven zijn. Eene opinie, die veel ingang vond is deze. De natuurmensch is begonnen öf met boomen, bronnen, steenen en dieren te vereeren, öf met zon, maan, storm, onweder, aarde en hemel te aanbidden. Deze dingen dacht men zich dan als levende wezens. In een boom huisde een god. De zon strekte eveneens een god tot verblijfplaats. En deze goden werden in twee groepen ingedeeld: De goeden en de boozen, echter met dien verstande, dat de goeden niet altoos goed en de kwaden niet altoos kwaad waren. Aan dit geloof paarde zich vervolgens de voorstelling, dat een god zich tijdelijk uit zijne eigenlijke woonplaats kon verplaatsen. Een god, die in een dier school, kon voor een wijle eene menschelijke gestalte aannemen. Vandaar dan de afgodsbeelden, die eensdeels de gestalte van een dier vertoonen — afgodsbeelden, die met name in Egypte, Assyrie en Indie werden vervaardigd. Toen de religie deze gestalte gekregen had, is men vervolgens op de gedachte gekomen, dat er ook geesten waren, die niet in een boom of dier of in de zon hunne woonplaats hadden, maar in de geestenwereld. Naar die wereld der geesten verhuisden ook de zielen der afgestorvenen. En waar men nu leefde in de voorstelling, dat ook dezen deel bleven nemen

Sluiten