Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenheid van bedoeling is er tocli een eigenaardig verscnn tusschen beide belijdenissen. Petrus belijdt, dat naar zijne overtuiging Jezus „de Christus", de Messias is, en als zoodanig ook „de Zoon Gods." De kamerling belijdt te gelooven, dat Jezus Christus is „de Zoon van God." In de eerste formule is „Zoon van God" eene omschrijving van het begrip „Christus", in de tweede formule is „Christus" een naam geworden, en valt de nadruk op het „Zoon van God" zijn van Jezus Christus. Hieruit valt af te leiden, wat trouwens ook overigens uit het Nieuwe Testament blijkt, dat, terwijl gedurende het aardsche leven des Heeren het een vraagpunt was en een verschil van overtuiging tnsschen de discipelen en de overige Joden, of Jezus van Nazareth al of niet de beloofde Messias, de Christus was, dit na Jezus' verheerlijking in de gemeente geen vraag meer was, en de Heer kortweg „Jezus Christus" genoemd werd; doch dat toen op den voorgrond trad de beteekenis van den Messiaanschen naam „Zoon van God." In deze wijziging is reeds een eerste kiem te vinden van de ontwikkeling der dogmatiek in de richting van het Confessionalisme. Eene overtuiging aangaande de bijzondere betrekking, waarin de Messias Jezus, waarin Jezus Christus tot God stond, wordt hoofdzaak der belijdenis. Waar de belijdenis oorspronkelijk luidde: „Ik geloof, dat Jezus is de Christus", werd 'tnu: „Ik geloof in Jezus Christus Gods Zoon." Intusschen bleef nog in den eersten tijd de getuigenis des harten, de bekentenis van persoonlijke betrekking tot Hem, den van God gezonden Verlosser, in de belijdenis doorklinken; dank zij ook de diep godsdienstige gedachten, door Paulus verbonden aan het geloof in Jezus Christus. Deze belijdenis van het geloof in Christus was de uiting van 't besef der levenseenheid met Hem, den verheerlijkten Heer.

Maar al spoedig werd het anders. In de gemeente traden profeter^ op, die vreemde leeringen verkondigden als ingevingen van Gods Geest. Reeds Paulus spreekt er van, als hij de „onderscheiding der geesten" noemt, en van den satan spreekt,

Sluiten