Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die zich in „een engel des lichts" verandert. En later, toen Ebionitisme aan de ééne en Docetisme aan de andere zijde aan de grootheid van Jezus Christus afbreuk dreigden te doen, achtte de schrijver van den eersten brief van Johannes het noodig zijne lezers te waarschuwen tegen de bedriegelijke geesten. En hij geeft een soort sjibboleth aan, waarmee de geesten der profeten beproefd worden moeten of zij „uit God" zijn. „Alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekorven is, die is niet uit God; maar dat is de geest van den antichrist."J).

Ziehier de geboorte van het Confessionalisme. Nog is „belijden" iets persoonlijks; maar een uiterlijke maatstaf wordt aangelegd, waaraan de geesten getoetst, beproefd worden moeten. Aanvaarden zij als belijdenis de formule: „Jezus Christus is in het vleesch gekomen", dan worden ze goedgekeurd, als „uit God"; hebben zij bezwaar tegen deze formule, dan zijn zij geoordeeld als „niet uit God." Het is duidelijk, dat deze formule zich door de woorden „in het vleesch" keerde tegen het Docetisme, en door „gekomen" tegen het Ebionitisme. Een afweren van dwaling, van „ketterij" betreffende de verhouding tusschen het menschelijke en het goddelijke in den persoon des Heerenis het doel. Tegenover de kettersche leeringen van Jezus'schijnlichaam en van zijn gewoon aardsch mensch zijn, zooals ze in Docetisme en Ebionitisme op den voorgrond traden, stelde men de rechtzinnige leer van het „in het vleesch gekomen zijn" van den Heiland, d. w. z., dat Hij een hemelsch wezen was, doch werkelijk mensch geworden in de volle beteekenis van het woord. Zoo begon de leer over Jezus' godheid het middelpunt te worden van de dogmatische ontwikkeling, doch tevens ook werd het belijden steeds meer een beamen van eene dogmatische overtuiging. Dit Confessionalisme, dit op den voorgrond treden

!) 1 Joh. 4:2 en 3.

Sluiten