Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan toch de behoefte er aan. „Mijne ziel dorst naar God, naar den levenden God" is de zielskreet, die uit elk menschenhart oprijst. Ja, wij zijn naar God geschapen, en ons hart is rusteloos, tot het rust vindt in Hem. Waar die rust in God is gevonden, daar is zekerheid; daar is diepe ontroering des gemoeds, daar is lust en begeerte om in daden het innerlijk bezit te openbaren; daar ontstaat ten slotte ook de behoefte om wat daar leeft in het gemoed onder woorden te brengen, te „belijden." Zoo ontstaat het dogma als de neerslag van het geestelijk leven; het leven is het primaire, deleer het secundaire. Dit bedoelde Dr. Gunning, toen hij zei, dat de dogmatiek moet rusten op de ethiek.

Het is vooral onder den invloed van het woord en den Geest van Jezus Christus, dat dit geloof des harten, dit zedelij k-geestelijk leven ontstaat. Dat leven is in Hem geopenbaard; Hij had het in onbegrensde mate, en Hij deelt het mede door Zijn woord en Geest aan Zijne volgelingen. Zoo wordt Hij hun de bron des levens, wordt Zijn leven hun leven, leeft Hij in hen, leven zij in Hem. Hierop wijst het beeld van wijnstok en ranken;1) en dezelfde gedachte ligt ten grondslag aan Paulus' woord : „Niemand kan een ander fondament leggen dan hetgeen gelegd is, Jezus Christus"2) Deze woorden beteekenen niet: „Niemand kan tot de gemeente behooren, die niet gelooft, dat Jezus Christus de Zoon van God is," maar: „Niemand kan het feit ongedaan maken, dat van het gebouw, waarin de geloovigen als steenen ingevoegd worden, Jezus Christus het fondament is." Zooals het fondament het geheele gebouw draagt, en dus ook eiken steen afzonderlijk, zoo ook draagt Jezus Christus al de zijnen, te zamen en afzonderlijk. Er is een onverbrekelijk verband tusschen Hem en al de Zijnen.

') Joh. 15: 1—5. 2) 1 Cor. 3:11.

Sluiten