Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

regeerende macht, in den zin van een boven de gewetens staande autoriteit, aan wier uitspraken, ook in dogmaticis, allen zich zouden hebben te onderwerpen. Bovendien is zij vertegenwoordiging ter laatste instantie der geheele kerk, zoodat het richtingsverschil in de kerk ook in haar zich openbaart, en eene dogmatische beslissing dus steeds beteekenen zou: eene beslissing van de toevallige meerderheid, die elk jaar waardeloos worden kan door de verplaatsing dier meerderheid naar een andere dogmatische overtuiging.

Maar als aan de Synode de bevoegdheid ontzegd worden moet in dogmaticis eene beslissing te nemen, — want dat toch zou een nader omschrijven van „geest en hoofdzaak beteekenen, dan moet die bevoegdheid ook ontzegd worden aan de Besturen, die onder haar staan, waarvan zij de vertegenwoordiging is, d. i. aan de Provinciale en Classicale Besturen en aan de Kerkeraden, die ten slotte in de besturen vertegenwoordigd zijn. Classicaal en Provinciaal bestuur en Synode zijn feitelijk niet anders dan samengetrokken kerkeraden, van dezelfde classis of provincie of van het geheele land.

Maar als ook de kerkeraad niet beslissen mag, wat al of niet „geest en hoofdzaak" is, — en als zij 'twel mag beslissen, dan ook de boven haar staande haar vertegenwoordigende Besturen, — aan wien is dan de beslissing? Aan den predikant? Of aan de lidmaten zelf? Gewoonlijk wordt de clausule zoo verstaan. Maar daar de kerkeraad de lidmaten aanneemt en bevestigt, al doet de predikant het als zijn vertegenwoordiger, kan toch ook niet goedgekeurd worden, dat den predikanten onbeperkte vrijheid in dezen gelaten worde, ook dan, wanneer de kerkeraad, dien zij vertegenwoordigen, een geheel andere opvatting is toegedaan. En hoe zullen de lidmaten het uitmaken ? Moeten zij den predikanten de redactie geven van de vragen, zooals zij die „naar geest en hoofdzaak der voorgeschreven vragen" willen gedaan hebben? Maar als dan eens geen eenstemmigheid heerscht onder hen?

Sluiten