Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij het aan ieder persoonlijk geheel overlaten, wat hij belijden wil? Zet zij zoo niet haar deur open voor „alle wind van leer"?

Ik meen, dat dit gevaar grootendeels denkbeeldig is. Indien Art. 38 4de alinea slechts deugdelijk gehandhaafd wordt, dan geeft dat in de termen „kennis van de christelijke geloofs- en zedeleer" en voorat in de bepaling, dat de lidmaten „belijdenis van hun christelijk geloof" moeten afleggen, waarborg genoeg. Kan een Jood, een heiden, een Boeddhist, een Mohammedaan, een atheïst of materialist eene belijdenis van zijn „christelijk geloof" afleggen ? Immers neen! Dat geloof bezit hij niet. En dat maakt zijn toetreden tot een christelijke kerk reeds onmogelijk! Bovendien, er bestaat weinig kans, dat een niet-Christen lid eener christelijke kerk worden zal , of een niet-Protestant lid eener protestantsche kerk. En hij zal in elk geval dan toch zich tot een predikant moeten wenden, en van hem eenig katechetisch onderwijs moeten ontvangen. Indien hij na dat onderwijs ernstig eene „belijdenis van zijn christelijk geloof afleggen" kan, wat zou hem dan verhinderen tot de kerk toe te treden ? Want dan heeft hij opgehouden niet-Christen, nietProtestant te zijn, en men heeft zich te verblijden daarover.

Maar kan het omgekeerd niet gebeuren, dat iemand, die lidmaat geworden is met eene belijdenis zelfs van zeer strengorthodoxen inhoud, later tot andere inzichten komt, of zelfs geheel ongeloovig wordt ? En wat kan de kerk doen om dat te beletten ? De strengste belijdenisvragen kunnen zoo iets, dat maar al te vaak voorkomt, niet beletten.

Daarom zoeke men geen heil in voorgeschreven belijdenisvragen! De „belijdenis", of liever het belijden blijve gehandhaafd, maar niet in confessioneelen zin; als een buiten den persoon staande, met gezag hem opgelegde „belijdenis der kerk", uitgedrukt in geschriften, maar in den zin van het zuivere ethisch beginsel, als een bekennen, belijden, onder woorden brengen van wat daar leeft in het gemoed, wat voor het hart werkelijkheid geworden is. Zulk een belijdenis is een daad des harten, is

Sluiten