Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschdom zwijgt en staat verwonderd, nu de God der wrake dondert.

Verstomd is het lied dezer eeuw, dat schier in alle landen, uit alle rangen en standen, zoo luide opklonk, het lied van zelfverheerlijking en schepselvergoding, van stofaanbidding en Mammondienst.

Wat zijn er maar weinige uren noodig, om aan onze gedachten een gansch andere richting te geven! Hoofd en hart zijn vol van den oorlog, en onze hand grijpt onrustig naar het nieuwste nieuws, terwijl een ieder zich beijvert, zich een weg te banen in den doolhof der tegenstrijdige berichten.

Het zou onverantwoordelijk zijn, indien wij in deze dagen van spanning, over den oorlog zwegen. Wij hebben op de teekenen der tijden te letten, en deze te bezien bij het licht van Gods Woord. Wij hebben te spreken over de dingen, waarover de Heere ons in deze dagen te spreken geeft. Gods Woord is een woord voor alle tijden en voor alle omstandigheden. Het gedeelte des Woords, waarop wij uwe aandacht wenschen te vestigen, vindt gij opgeteekend in het Evangelie, naar de beschrijving van Mattheüs, het 24ste hoofdstuk, het 6e vers, waar wij des Heeren Woord aldus lezen:

Mattheus 24 : 6.

„En gij zult hoor en van oorlogen en van geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet".

Het is de laatste Dinsdagavond van Jezus' vernederd leven op aarde. Hij heeft voor het laatst den tempel bezocht, en begeeft zich met de zijnen naar den Olijfberg, om daar nog een laatste ruste te genieten, voor den bangen strijd, die Hem wacht. En ziet, bij het beklimmen van den berg der Olijven, rust Zijn oog op de bloedstad, die daar ligt aan Zijn voet met den, door Herodes den Groote, herbouwden tempel in haar midden. Beschenen door de stralen van de ondergaande zon schitterde die tempel daar in al zijn schoonheid en heerlijkheid, en Zijne discipelen konden niet nalaten de aandacht van hun Meester, op dit majestueuse schouwspel te vestigen. „Meester, zoo riepen zij in verrukking uit, Zie, hoedanige steenen en hoedanige gebouwen".

„En Jezus, antwoordende zeide tot hen: Ziet gij deze groote gebouwen? Er zal niet één steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden".

Dit antwoord greep de discipelen aan en hield hun gedachten bezig. Nauw hebben zij dan ook den Olijfberg beklommen, en is het oogenblik voor een rustig gesprek aangebroken, of zij komen tot Hem met de vraag: „Zeg ons, wanneer zullen deze

Sluiten