Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vernedert u, in deze dagen, onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhooge te Zijner tijd.

Wij zouden het wel aan de oversten en aan de machtigen der aarde willen toeroepen:

„Nu dan, gij koningen ! handelt verstandiglijk, laat u tuchtigen, gij rechters der aarde! Dient den Heere met vreeze, en verheugt u met beving.

Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zoude ontbranden".

Christus-verwerping, dat beteekent, in laatster instantie, voor de volkeren niets anders dan zelfmoord.

„Wat afvalt van den hoogen God, moet vallen".

„O, , land, land, land, hoor des Heeren woord".

Vóór of tegen den Heere, die Zich in Christus aan ons heeft geopenbaard, dat brengt ten slotte de beslissing voor de aarde, voor ons werelddeel, voor ons volk, voor ons gezin, voor een iegelijk van ons persoonlijk.

Wij beleven donkere dagen. Oorlogen en geruchten van oorlogen omringen ons. Daar is een sprake Gods in al deze dingen.

Ziet toe, dat gij Dien, die spreekt niet verwerpt, opdat van u straks niet gelde het ontzettende woord: „Dewijl Ik geroepen heb en gijlieden geweigerd hebt, Mijne hand uitgestrekt heb en er niemand was die opmerkte, zoo zal lk ook in ulieder verderf lachen, lk zal spotten wanneer uwe vreeze komt".

III. „Uit welk oogpunt wij dit teeken hebben te bezien.

„En gij zult hooren van oorlogen en geruchten van oorlogen, ziet toe, wordt niet verschrikt, want al die dingen moeten geschieden'. Wat een angstige bezorgdheid en verschrikking heeft zich, in de jongste dagen, van de groote massa meester gemaakt! De banken werden bestormd, de winkels werden belegerd. De afgod Mammon was van zijn voetstuk gevallen. Men stond met de bankbiljetten in de hand, en kon er niets mee beginnen. Men meende dat men met geld alles kon doen, en daar kwam ineens de wreede ontnuchtering. Men werd verschrikt!

Mammon bleek niet oppermachtig, de oorlogsgeruchten hadden hem van zijn verheven voetstuk geworpen. Men werd bedwelmd onder de omstandigheden. Men voelde zich plotseling zoo arm.

„Laat ons nuchteren zijn", en trachten dit teeken uit het rechte oogpunt te bezien. Want ziet, de oorlogen en de geruchten van oorlogen staan onder Gods voorzienig bestel.

„Ik formeer het licht en schep de duisternis. Ik maak den vrede en schep het kwaad, Ik de Heere doe alle deze dingen".

De wereld begrijpt er niets van, hoe het mogelijk is, dat de God des vredes zulk een verdelgingskrijg kan toelaten. Dat komt, omdat het haar ontbreekt aan Godskenms en aan zelfkennis. Dat de Heere met Zijn gerichten komt, behoeft ons niet te verwonderen, maar dat Hij ons met Zijn zegeningen blijft

Sluiten