Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omringen, dat moet onze verwondering wekken. Als gij er op let, hoe vorsten en volken Hem in het aangezicht wederstaan, dag in dag uit, dan moet het u verbazen, dat Hij niet reeds lang de menschheid van den aardbodem heeft weggevaagd. Niet de gerichten maar de zegeningen zijn een wonder. Nu Zijn zegeningen met ondank worden beantwoord, nu komt Hij met Zijn gerichten. Met Zijn gerichten ook tot ons volk.

„Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de Heere niet doet"?

Hij heeft het noodig en nuttig geoordeeld, dat deze oorlog thans zou ontbranden.

Hij wil den oorlog niet in gelijken zin als Hij den vrede wil!

Hij wil de ongerechtigheid niet op gelijke wijze als Hij de gerechtigheid wil!

Neen, Hij heeft de zondige handelingen van de kinderen der menschen opgenomen in Zijn eeuwigen raad, en Hij gebruikt ze, haars ondanks, als zoovele middelen, om Zijn rijk te doen komen en Zijn naam te verheerlijken. Hij, als de Heilige, triumfeert Koninklijk over de zonde, en maakt haar, tegen haar wil, dienstbaar aan het door Hem vastgestelde doel. Ook de oorlogen zijn schalmen in den keten van Zijn Goddelijk wereldplan. Niet de oorlog, maar de Heere regeert. „Hij is met hoogheid bekleed, de Heere is bekleed met sterkte".

„Wie zoude U niet vreezen Heere, en Uwen naam niet verheerlijken? want Uwe oordeelen zijn openbaar geworden".

„En gij zult hooren van oorlogen en geruchten van oorlogen, ziet toe, wordt niet verschrikt, want al die dingen moeten geschieden'.

De Heere heeft ook met dezen oorlog, Zijn wijze bedoelingen en Zijn heilige oogmerken.

„Wanneer Uwe gerichten op aarde zijn, zoo leeren de inwoners der wereld gerechtigheid."

Hoe menigmaal hebben de oorlogen reeds een weg gebaand voor het Evangelie. Zij braken de poorten der volkeren open, en deden bij menigen verharden zondaar de deuren des harten openspringen. De historie is daar om het te bewijzen, dat verstokte zondaren op het slagveld tot den Heere leerden vluchten.

De oorlogen, en de geruchten van oorlogen, verontrusten ons, maar weet dit, dat in al deze dingen de hand des Heeren is.

Groot is de verantwoordelijkheid van de vorsten en de diplomaten, die dezen oorlog deden ontbranden, maar de Heere triumfeert koninklijk over hun zonden. Hij zal zich ook van dezen oorlog bedienen, om Zijn raad te volvoeren, Zijn rijk te doen komen, Zijn naam te verheerlijken.

De koninkrijken der aarde staan in dienst van het Godsrijk. De oorlogen der volkeren zijn de barensweeën van het vrederijk, dat eens aan het einde der dagen, onder den nieuwen hemel op de nieuwe aarde, bloeien zal. „Gewis des menschen gramschap zal, wanneer zij op 't hevigst is aan 't blaken, Uw grooten

Sluiten