Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevangenis (Hand. d. Ap. 16). In de dagen der Kerkhervorming zijn ze tot machtige vertroosting en sterkte geweest voor de belijders van den Naam des Heeren Jezus Christus; en de martelaren om des geloofswil zijn wel Psalmen zingende bemoedigd geworden om schavot of brandstapel te beklimmen, En overal, waar het Woord Gods werkt in de harten der menschenkinderen en de Heere toedoet tot de Gemeente, die zalig worden, worden de Psalmen gezongen, en gespeeld op de harp des harten. „De Psalmen", schrijft de kerkvader Augustinus, „zijn zóo aangrijpend en machtig, dat zelfs steenen harten er door bewogen worden, en tegelijk zijn ze zóo vol troost en verzachting, dat zij een geneesmiddel en balsem voor alle wonden kunnen genoemd worden". Ook de muziek kan liefelijk zijn. Een prachtig orgelspel ter begeleiding van het gezang der Gemeente mag indrukwekkend genoemd worden en terecht worden gewaardeerd. De muziek óók is eene gave Gods; in Israël waren zangers en speellieden in den dienst des Heeren. Maar gescheiden van het Woord Gods, slechts voor het uiterlijke, natuurlijke leven ten dienste, heeft zij geen blijvende waarde. De Roomsche kerk en ook menig Protestant zoekt door de muziek op de gemoederen te werken tot, zooals men zegt, verheffing van den mensch tot God. Maar of men dat nu op zoogenaamd Christelijke wijze doet of niet, — de muziek op zichzelve heeft geene kracht tot die verheffing, zij heeft geen Goddelijke kracht. Integendeel, dat doen trekt van het Woord Gods, van den eenvoud der Waarheid, alzoo van den Heere af.

Geliefden, leere God ons Psalmen te zingen, en te spelen op de harp onzer harten, en wij zullen ervaren, hoe liefelijk en hartverheffend zij zijn. En geen mensch, maar God alléén krijgt de eer. Zijn Naam wordt verheerlijkt!

Wat David deed, als hij bad: „O God, hoor mijn geschrei, geef acht op mijn gebed" (vs. 2), dat was verheerlijking van den Naam des Heeren; hij verhief zijn hart tot God, nam tot Hem de toevlucht in zijne ellende. O, in schrikkelijken nood was hij; in zeer benarden toestand bevond hij zich. Hij was koning en had het volk lief, regeerde het in gerechtigheid. Wat

Sluiten