Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergeten, hoezeer hij tegen den Heere gezondigd had. Ook moet zijn geweten hem beschuldigd hebben, dat hij tegen Qods gebod vele vrouwen had, en dat daaruit veel verdriet, óók dat doen van Absalom, was voortgekomen. Zoo was hij dan niet alleen uitwendig in angst, maar ook was er bij hem groote zielsnood. Er was van buiten strijd, van binnen vrees. Uit die diepte van ellende klimt zijn geroep tot God. Ach, het is hem alsof God niet hoort; en ja, indien Hij mij verstoot, ik heb het verdiend; en toch, ik houd bij Hem aan met smeeking: „Heere, geef acht op mijn gebed".

Zooals het nu met David ging, gaat het met al de armen en ellendigen, die in hun ellenden tot God zich henenwenden. Zij roepen, schreien in hunne angsten tot den Heere. Maar het schijnt vaak, alsof Hij hun geen gehoor geeft, en zij worden al meer benauwd en van alle zijden aangevochten. Ja, onze zonden klagen ons aan, en de duivel zegt: God verlaat u; — toch God alléén kan helpen; maar hoe bang is het ons, wanneer de hulp uitblijft! Doch, Geliefden, God hoort wel. Dat Hij niet dadelijk helpt, is Zijn genadig en wijs doen. Hij weet den rechten tijd der hulp. Als Hij terstond hielp, dan zouden wij allicht denken, dat Hij het om ons bidden deed, wij zouden van ons bidden het heil verwachten. Ook wil de Heere God ons doen kennen, dat Zijn vertoeven dient tot onze lijdzaamheid, dat wij geduldig zullen zijn in de verdrukking. Hij laat ons al dieper in den nood komen, opdat wij goed verstaan, dat het met eigene en aller schepselen hulp uit en voorbij is. Is er nu bij ons werkelijk nood, de uitkomst naar het zichtbare geheel afgesneden, — dan vertragen wij niet, maar zullen des te meer tot God roepen.

Voor David was elke uitweg om door zichzelven het gevaar te ontkomen, het verderf te ontvlieden, afgesneden. „Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn hart overstelpt i s", zóó getuigt hij aan God. Hij is aan de uiterste grens van zijn land, bij de woestijn, ver van Jerusalem, ver van de Ark des verbonds, ver van Sion en het Heiligdom des Heeren. Waarheen zal hij zich wenden ? Ach, hoezeer is zijn hart van smart vervuld, hoe drukt de ellende hem terneer! Waar anders heengaan dan tot U, o God 1 Gij kunt helpen, anders geen! Zoo

Sluiten