Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den tabernakel staan, maar hij blikt in het innerlijke wezen der dingen; hij klimt van het zichtbare en tijdelijke op tot het onzienlijke en eeuwige. En zóó gelooft en gevoelt hij de blijvende, genadige tegenwoordigheid Gods, de eeuwige vereeniging met God; en spreekt in zijn lied uit, wat het verlangen en de begeerte zijner ziel is, en wat zijn troost en zijne sterkte is, n.1. dat God de Heere ten allen tijde de veilige schuilplaats voor de Zijnen is; — zooals wij ook o. a. uit het begin van den 91sten Psalm vernemen: „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal overnachten in de schaduw des Almachtigen. Ik zal tot den Heere zeggen: „Mijne toevlucht en mijn burg, mijn God, op Wien ik vertrouw" (Ps. 92: 1, 2). Immers, dat David in dat vertrouwen, in die verwachting deelde, blijkt klaar uit zijn getuigenis (85) „Ik zal in Uwe hut verkeeren in eeuwighede n", d. i. bij U, mijn God, zal ik eeuwig wonen, bij U hierbeneden in geloof, en daarboven bij U in den hemel in aanschouwen.

Wij vernemen in deze woorden van David de uiting van het „nochtans des geloofs", evenals bij den apostel Paulus, toen deze te midden van verdrukking en vervolging getuigde: „Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere" (Rom. 8:38, 39).

En in dat vertrouwen gevoelt David zich veilig. Ja, „in Gods hut verkeeren", d. i. in Zijn huis wonen, d. i. opgenomen zijn in 's Heeren barmhartigheden, omringd zijn door Zijne goedertierenheid en trouw, door Zijne genade omgeven en als overdekt, eeuwiglijk met den Heere vereenigd zijn, bij Hem wonen, nabij God wezen, o, dat is veilig. Evenals eene hen hare kiekens vergadert en onder hare vleugelen verbergt, koestert en beschermt, zóó is er bij den Heere heerlijke en welverzekerde rust. Dat vertrouwde David, en daarom getuigt hij: „Ik z al m ij n e toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela. Daar kan geen vijand mij naderen. Bij U, o

Sluiten