Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze problemen van den vrijen wil en de heimarmenê gaven elders aanleiding tot verschillende „theodiceeën", die een aanvaarden van allerlei Oriëntalistische theologie vooronderstellen. Dat doet ons weer vragen of er soms onder de Joden theologen bestaan mogen hebben, die geen gemeente van minder bestudeerde geestverwanten achter zich hadden. En, waar dit onwaarschijnlijk is, rijst het vermoeden, dat er eertijds in Palestina kringen geweest zullen zijn, die van Oriëntalistische gedachten doordrongen waren. Indien dit vermoeden zich tot wetenschappelijke zekerheid Iaat verheffen, valt er op het contrast, dat de drie eerste evangeliën doet afsteken bij het vierde, een bizonder licht.

Geven zij wellicht een Palestijnsche overlevering, die, in tegenstelling met het Johannesevangelie, slechts lichtelijk gekleurd is door het Oriëntalisme, of, ligt misschien de vraag zoo, dat wij hier met het onderscheid hebben te rekenen, dat bestaan kan hebben tusschen een Joodsche speling dezer gedachten wereld tegenover eene, die meer tot het Griekendom nadert? In dit licht beschouwd, levert het vraagstuk der evangeliën aanleiding tot dieper gaand onderzoek.

Of moet men met deze vragen nog verder doordringen en trachten met deze hulpmiddelen het raadsel van Jezus' zelfbewustzijn als Messias te benaderen? Zou het schijnsel onzer lampen hier nog een lichtglimp kunnen werpen op den vorm van sommige uitspraken, die men meestal heeft zoeken te verklaren vanuit de terminologie der Joodsche apocalypsen? Hier staan wij wel aan het einde van de mijngangen der wetenschap. Wetenschap in den strikten zin eindigt daar, waar het weten ophoudt.

De studie van de klassieke periode van het Christendom is dus waarlijk niet uitgeput. Het was slechts een enkele lijn, die wij volgden, en terstond vertoont zich een net van vertakkingen, dat zich uitspreidt naar alle zijden.

Zoo zijn er meerdere lijnen te trekken. Het is b.v. duidelijk, dat de groote vraag naar de verhouding en mogelijke levens-

Sluiten