Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noch toekomende dingen, noch Svva/itig, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heer", dan zijn we wel een zeer bizondere gedachtensfeer binnengetreden. Toch vinden we hier naast de wonderbare gedachte, dat God „ons liefheeft" den kosmologischen term uQfu'i d.w.z. hemelmachten, zooals het Oriëntalisme die kent, en dat op eén lijn met het meer Joodsch gedachte woord „engelen".

Colossenzen 1 :15— 17 brengt dit kosmologische ook op den Christus over. Van Jezus Christus wordt daar gezegd, dat Hij „het beeld (dxcóv) is des onzienlijken Gods, de eerstgeborene aller creature, want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, (nvQtoTTjTtg) hetzij ótQ%ai, hetzij i^ovalai: alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen en Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan te zamen door hem."

Dat eenige bijmenging van Oriëntalisme dus in de gedachtenwereld der Christelijke klassieken niet afwezig is geweest, blijkt reeds uit dit eene voorbeeld. De groote vraag, die telkens rijst, is deze: hoe ver, en vooral, hoe diep is dit element doorgedrongen ?

Een tweede grondgedachte van het Oriëntalisme, waarmede wij, op godsdienstig gebied, in aanraking komen, is aldus te formuleeren: De verlossing (awirjola) wordt verworven door kennis {•/vutaig). Op dit punt bestaat weder een groote eenstemmigheid tusschen de vertegenwoordigers van godsdienst en wijsbegeerte. Natuurlijk was de „kennisse Gods" voor den wijsgeer niet geheel hetzelfde als wat den priester ter harte ging. De philosoof kende den Logos door de logica en naderde het dichtst tot den godsdienst in een intellectueele mystiek.

Bij de priesterschap echter nemen verschillende godenfiguren deze plaats in, zooals: Hermes, Heracles, Sandan, Aziz,

Sluiten