Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaarden. Hij maakt er zich evenmin moeilijk mede als destijds de Kerk. Tegenover het woord van Manilius iIV, 14):

Fata regunt orbem, certa stant omnia lege stelde zij de ngóvoia, de voorzienigheid opgevat als persoonlijke bemoeienis van God met den Christen. De vrijheid van den wil handhaafde zij kortweg, zonder veel op die moeilijkheden in te gaan, waar b.v. Bakdesanes wel oog voor had. Typisch voor deze houding is wat Tatianus onmiddellijk na de geciteerde woorden zegt: „Immers de man die vonnis velt, zoowel als degeen die gevonnisd wordt, (zouden) zijn wat zij zijn door de praedestinatie. Moordenaars en hun slachtoffers, menschen die in rijkdom baden, en zij die leven in gebrek, (zouden) slechts bestaan als producten van een dezelfde praedestinatie. (IX) „Een driftkop en een verdraagzaam mensch, een man die ingetogen en een die teugelloos leeft, een lot van gebrek of van rijkdom, (het zou alles) slechts het product zijn van de machten, die bij de geboorte van een mensch als wetgevers konden beschikken".

Het schijnt evenwel, dat er meer ernst dan rhetorica in deze woorden schuilt. Voor den heiden schijnt hij de praedestinatie als een werk der booze demonen misschien toch wel erkend te hebben.

Ook zijn leermeester Justinus Martyr schijnt niet ver van deze gedachte verwijderd geweest te zijn *). Vandaar, dat de acoTtigia toch op Oriëntalistische wijze beschreven wordt als verlossing uit de heimarmenê (1X5); „Wij (Christenen) staan echter op een hoogte, waar de praedestinatie beneden blijft. Wij hebben inplaats van demonische planeetgeesten (uvti nxavtitmi' daifióvmv) van den eenen, den onwrikbaren Gebieder (?*>« tod anXai/rj dfOTiÓTijv) kennis ontvangen". (XI 5sq)

') Revue Critique XLYII, 32 (9.8.'13), p. 106, Loisy naar aanleiding van Just. Mart., Dial. 55, 121 [cf. Deut. 419]: „Cette canonisation rétrospective et provisoire du panthéisme solaire de 1'Orient... en dit long sur lamentalité du Cliristianisme primitif". Cf. Tertull., De Idol. IX.

Sluiten