Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dichten geleid door de krachten, die de gedaante dier gemeenschappelijke geesteswereld bepaald hadden.

Wanneer wij dit verschijnsel en al wat het insluit ons voor oogen stellen, valt een helder licht op de woorden door mijn diepbetreurden voorganger, Prof. van Rhijn, eens als Rector dezer Universiteit uitgesproken: „Het oorspronkelijk Christendom behoort tot onze geestelijke voorouders in hoogeren zin dan Israël, Hellas of Rome". „Het is een moeder, die wij niet van aangezicht kennen en daarom moeten zoeken". Onafwijsbaar is die plicht. Licht is deze taak zeker niet. Dit is echter zeker, dat hetgeen de kinderen dier moeder ook ons te zeggen hebben des te beter zal worden verstaan naar mate wij doordringen in die vragen, waarvan slechts een enkele in deze rede werd aangeroerd.

Mijne Heeren Curatoren.

Het zij mij vergund U hier openlijk dank te zeggen voor het vereerend vertrouwen, in mij gesteld. Gij hebt mij willen voordragen tot het geven van onderwijs in de Oud-christelijke Letterkunde, de uitlegging van het Nieuwe Testament en de Encyclopaedie der Godgeleerdheid en mij aldus een ruimen werkkring geopend, welker groote verantwoordelijkheid ik diep besef. Mijn oog is steeds gericht geweest op de taak, die op dit terrein den onderzoeker wacht. Met dankbaarheid herdenk ik de gelegenheid, die de Leidsche Universiteit, welke mij heeft opgeleid, mij heeft geboden om mijne Oriëntalistische studiën vruchtbaar te maken voor het onderwijs en, zoo ik hopen mag in den werkkring, dien gij mij hier te Groningen hebt ontsloten, op den duur althans eenigen mijner leerlingen wegen te wijzen, die ook vanuit het Oosten voeren naar het leven der oude Christenheid, dank ik dit voorrecht aan U. Weest verzekerd, dat ik met de kracht, die God mij geeft, zal trachten uw vertrouwen te beantwoorden.

Volgaarne richt ik een woord van welgemeenden dank tot

Sluiten