Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ps. 3: 2.

Lezen : Hoséa 2.

Ps. 121: 1.

„ 147 : 6 en 7.

„ 118:4.

„ 66: 10.

I.

EEN WARE BIDDER.

1 Kron. 4: 10.

VOORAFSPRAAK.

Zoo zijn wij dan, Gel.! weer saamgekomen in des Heeren heilig dom, waar reeds zoo menigmaal het smeekgebed opklom tot den Hoorder der gebeden, om te bidden om zijnen onmisbaren zegen.

Welk een verschillende wenschen zullen er nu leven in onze harten. Als de Heere rondgaat langs do rijen en leest in ons binnenste, — en dat doet Hij op den Biddag! — wat zal dan Zijn Alziend oog een ontelbaar heirleger van begeerten aanschouwen, begeerten, die zoo grootelijks van elkander verschillen.

De landbouwer laat zijn oog weiden over zijn akkers met de verzuchtiDg: „Mocht mijn zaad rijkelijk vrucht dragen, dertig-, zestig-, ja, honderdvoud". De veehouder richt den blik naar zijn kudden, en wenscht: „Dat zij voor veeziekte en allerlei gevaren behoed, mogen vermenigvuldigen op hunne kooien". De visscher zwalkt in den geest rond op „de groote zee, die wijd van ruimte is", en ziet op tot Hem, Die óók gebiedt over hetgeen de paden der zee doorwandelt, en vraagt om gevulde netten. De zakenman denkt onwillekeurig na over de worsteling met eerlijke en oneerlijke concurrenten, en hoopt, dat hij toch opnieuw in dien strijd zal mogen staande blijven. De arbeider voor wien de strijd om het bestaan in onze dagen waarlijk niet gemakkelijker wordt, slaakt

Sluiten