Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En nu wil Ezra - want hij is de schrijver der Kronieken dit heerlijk verschiet, dat boven het donker hoden hangt, aan zijn volk laten zien. En dit zal hij doen door Israëls verleden als in een statigen optocht aan zijn thans roodgeweend oog voorbij te laten gaan. In vogelvlucht laat hij dan ook de gansche geschiedenis van het Godsrijk, van zijn begin af tot op de wegvoering naar en de vrijlating uit Babel, zien. Een onafzienbare rij van portretten hangt hij nu voor hun oog van Adam af tot Zedekia toe; ja het allerlaatste maar zeker niet het minst welsprekende ia dat van Korez, den koning van Perzië, die door God werd gedrongen, om Juda los te laten. Uit die beeltenis moest het volk zien, welke rijke beloften Jehovah aan Zijn volk had geschonken; beloften, voor welker vervulling Hij Zelf met al Zijn Deugden instond; beloften, die het aan dat arme en verachte volk toeriepen, welke groote dingen de Heere, naar Zijn Souverein welbehagen, nog met hen voorhad.

O, Gel.! dat het ook ons in deze donkore tijden, veel gegund moge worden, om met een verlicht oog de historiebladen van het Koninkrijk der hemelen te lezen. Als wij, ook op den Biddag, het oog richten op den toestand van het Israël des Heeren, en we staan even stil bij de zonden van ons Land en Volk, maar ook bij de breuke van Zion zelf; ja, als we den blik door genade mogen slaan in ons zeiven, o! dan zouden we geen vrijmoedigheid hebben, om één zegen van den Heere te vragen. Maar Hij doet het niet om onzentwil, doch om Zijns Grooten Naams wil! Dat mocht Ezra ook zien. En daarom heeft hij goeden moed, „want Hij, Die het beloofd heeft, is getrouw".

En onder de vele beeltenissen, die Ezra aan Israël voorhoudt, is ook die van Jabez, den bidder. En de reden, waarom hij bij dezen even stil staat, is voorzeker, om zijn volk te prediken, hoe zij met Gods beloften moeten werkzaam zijn. Jabez komt voor onder de nakomelingen van Juda. Geheel het verband van dit register wijst er op, dat hij geleefd heeft in den tijd kort na de wederkeering uit Egypte, en wel — naar onze meening — in den tijd der Richteren, „toen er geen koning in Israël was, en een ieder deed, wat goed was in zijn oogen". Hierop moeten we letten, om de beperking in zijn gebed te verstaan. Als nakomeling van Juda was Jabez erfgenaam van rijke beloften; die beloften, die

Sluiten