Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het land Gosen van Jacobs stervende lippen vloeiden: „Juda, gij zijt het; U zullen Uwe broeders loven, De scepter zal van Juda niet wijken, noch de Wetgever van tusschen zijne voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen". En hoe is het nu ? In de goddelooze tijden der Richteren ? Heeft Juda nu Troon en Scepter ? Immers neen ! Daaronder gaat Jabez's ziel gebukt. Want in het Koningschap van Jehovah, door Juda bekleed, ziet hij het middel, om Israël te houden bij Gods Wet. En nu dwaalt dat volk maar af. De afgoden worden openlijk gediend. De instellingen des Heeren vertreden. De gruwelen vermenigvuldigd. „Heere! zoo bidt nu Jabez, vervul genadiglijk Uw belofte". En zie nu, hoe hij zijn gebed beperkt binnen den grens van Gods beloite. Hij vraagt alleen om vervulling der belofte. En nu trekt hij in zijn ootmoed binnen dien grens nog een grens. Want hij bidt niet voor zich om den Troon, om van die verheven plaats Israël te leiden op 's Heeren wegen. Neen, in kinderlijken ootmoed wenscht hij dit aan den Heere over te laten. Gods tijd acht hij den besten tijd. Het roer is toch in zulke goede handen! Doch hij vraagt als zoon van Juda om des Heeren zegen en om uitbreiding van zijn landpale. Hij had misschien slechts een klein lioekske grond ; en hij was toch een zoon van den koningsstam. „Heere! — zóó bidt hij — vervul uit genade Uw belofte aan mij". En wat is nu de hoogste drijfveer zijns harten ? Om te weten, dat de Heere met hem is. Als zijn landpale zal vermeerderd worden, dan zal hem dat een blijk zijn, dat God op weg is, om Zijn beloften te vervullen- Dan zal de Heere zijn geloof versterken, en zijn ziel een teeken ontvangen van Zijn dierbare gunst. Want niet om die vermeerderde landpale als zoodanig is het hem te doen, maar om God en Zijn gunst. Daar zinkt hij dan op Gods belofte, en het is hem, als wordt hem toegefluisterd : „Doe uwen mond wijd open, en ik zal hem vervullen".

Maar ook wat het kwade betreft, beperkt hij zijn gebed: „en Gij het met het kwade zóó maakt, dat het mij niet smarte". Hij bidt om Gods Zegen, — maar blijft binnen den grens der belofte. Hij .bidt aangaande het leed, — en blijft binnen den grens van Gods Raad. Neen, hij bidt het kwade, de rampen, niet af. Hij mag door genade de teugels van zijn levenslot stellen in des Heeren hand. Maar

Sluiten