Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleine heuvelen. De strijd der ziel kan zoo geweldig wezen! Laat ons hier eens even wachten: eens even in eerbiedige stilte naar het geweld van golven en bergen luisteren. Daar ligt, Gel.! in dat zwijgend luisteren een geschiedenis, een ervaring, een wereld van zielestrijd uitgedrukt.

Ja, als dat bruisen weer voorbij is, en we mogen weer de druk gevoelen van die Trouwe hand, Die ons leidt aan zeer stille wateren, dan kunnen we blijmoedig zingen:

„Laat vrij hét schuimend zeenat bruisen!"

Maar terwijl we in den strijd zijn, — wat kan het dan bange wezen. Toen Hiskia met de brieven voor den Ileere worstelde,— toen was het hem bange, al mocht hij ook vluchten tot zijn God. O, hoe kunnen de golven van allerlei aard het de ziel benauwd maken. Uitwendige moeielijkheden gaan dikwijls met innerlijken strijd gepaard. Wat kunnen de twijfelingen onze benauwde ziel dan vervaren. En juist dan maakt de Vorst der duisternis zich op, om te vragen:

„Waar is nu God, op Wien ge bouwdet,

En aan Wien g' uw zaak vertrouwdst ?"

Ja, dan verbergt de Heere — en d&t is het zwaarste! — Zich achter donkere wolken. Denk slechts aan Elia! O wat deden de golven deze geloofsberg daveren. Hij zwierf in benauwdheid rond. En God kwam maar niet over. — Zie, Gel.! zulke uren, dagen, weken of maanden konden er ook voor ons wel eens liggen tusschen den Bid- en den Dankdag! Wij weten niet, wat ons te wachten staat! Maar dit weten wo wél: zonder strijd geen kroon, en: „Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen".

Ja, wel mag hier e9n Sela staan. Wel mocht het maagdenkoor eenigen tijd zwijgen, en wij luisteren naar het bruisen der golven en het daveren der bergen. Sela

IV.

Maar het blijve niet zwijgen ! Hoort, daar valt het in met blijden toon : „De beekjes der rivier zullen verblijden de Stad Gods, het Heiligdom der Woningen des Allerhoogsten". Op dien geweldigen tegenstand volgt altijd weer, den éénen tijd wél spoediger dan den anderen, maar toch altijd weer een Goddelijke vertroosting.

Sluiten