Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij spreekt (in Jes. 28: 16): „Ziet. Ik legeenen Grondsteen in Sion, een beproefden Steen, een kostelijken Hoeksteen, die wel gegrondvest is: wie gelooft, die zal niet haasten." Of, zooals Petrus het korter en naar de Grieksche overzetting weergeeft: „Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, die uitverkoren en dierbaar is; en: die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden."

God Zelf beschouwt dus den Heere Jezus als een uitersten hoeksteen, waarop heel Zijn Kerk rust. Doch wat spreken wij van „beschouwen." Zooals God de dingen siet, zoo sijrt ze. En ze aijn zoo omdat Hij, de Heere, uit Wien en door Wien en tot Wien alle dingen zijn, ze alzoo verordineert.

God de Heere legt Christus tot de uitersten hoeksteen in Zijn geestelijk Sion en op dien door Hem zelf gestelden grondsteen bouwt Hij Zijne gemeente, ten spijt van al de grondslagen, waarop wij pogen te bouwen.

Ach, Israël was bezig, en wij zijn allen voortdurend weer bezig allerlei andere gronden voor onze zaligheid te zoeken, en Gods Kerk op allerlei andere fundamenten op te bouwen. Wel heeft de Heere van den beginne, van het paradijs af den Zaligmaker aangewezen, en gepredikt: „Dit is de rust, dit is de verkwikking" (Jes. 28 : 12). Maar wij menschen willen niet hooren. Gods Evangelie klinkt ons in de ooren als een Wet, zoodat wij ons tot zaligheid gebonden achten aan: „gebod op gebod, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig!" (Jes. 28 : 13). En door al deze onze werken meenen wij ons zelf Gode aangenaam te zullen maken, en een vast fundament .voor onze zaligheid te leggen. En wat Gods Kerk betreft — wij belijden met den mond, dat God Zijn Kerk bouwt en intusschen zijn wij bezig door allerlei bonden en vereenigingen Gods Kerk te stutten en door allerlei listige plannen aan de waarheid de overwinning te bezorgen. Het

Sluiten