Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delijkheid en ontferming, en nu kan en mag hij toch niet anders veronderstellen dan dat zij gelooven.

Gij zijt toch geen ongeloovigen, toehoorders?

Gij verwerpt toch den Heere Jezus niet, wiens Naam gij draagt, wiens liefde u droeg?

Welnu: u die gelooft, is Hij dierbaar.

Of is Hij u toch niet dierbaar, niet kostelijk, niet uw een en al? Maar dan is het met uw geloof niet in orde. Want dien, die gelooven, is Hij dierbaar, is Hij al wat Hij is, de volle waarde.

O Gemeente, dat wij onszelf beproeven.

En als wij zoo lauw daar henen gaan zonder dat Christus ons dierbaar is — dat wij het Woord Gods hooren, die ons wakker roept en spreekt: Ik heb u een grooten schat gegeven in Mijnen Christus. Weet toch hoe rijk gij zijt, welk een eeuwige waarde Ik u gegeven heb, en laat toch varen, al wat Satan en wereld u aanbieden!

Hoort en uwe ziel zal leven!

Kiest u heden wien gij dienen zult!

En als de Heere wederom zegt: „Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, die uitverkoren en dierbaar is", antwoordt dan met schuldbelijdenis en verootmoediging: Met dien Rotssteen zal ik het wagen.

„Op Uw genade zal ik leven,

Op Uw gena den doodsnik geven,

O Heer, aan wien ik mij vertrouw."

Amen.

Sluiten