Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen. 1) Zwaar viel het Hem dezen drinkbeker te drinken. De beker was gevuld met den vloek des Heeren over de zonde der menschheid; met den toorn Gods, geopenbaard over de ongerechtigheid van de kinderen der ongehoorzaamheid , met den dood, de bezoldiging der zonde; met al de listen en aanvechtingen der Satans. Deze drinkbeker is gedronken door den Middelaar Gods en der menschen. Noodig was dit, om het verkoren volk te redden uit de diepte der hel. Maar hoe ontzettend het was dezen beker te drinken , ledig te drinken tot den laatsten druppel toe, bleek op Golgotha toen Jezus met een groote stem uitriep : Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten ? Dat lijden is nooit naar waarde te beschrijven. Hij draagt den vloek der verdoemenis, die bestaat in het verlaten zijn van God. Al de helsche angsten en smarten, die de verdoemden eeuwig in de hel lijden moeten, droeg Jezus. Gods toorn wordt geheel en ongemengd over Hem ontlast. Hij is verlaten van God, want de bezoldiging der zonde in haar volle werkelijkheid , ontvangt Hij. In de drieurige duisternis lijdt Hij, verlaten van Zijn God, de helsche verdoemenis. In die ure kan Hij klagen :

»0, dood'lijk uur ! Wat hitte doet Mij branden !

Mijn hart is week, en smelt in d' ingewanden,

Als was voor 't vuur.«

Jezus leedt echter als Borg.

Met Jesaja mag Gods volk getuigen : »De straf, die ons den vrede aanbrengt was op Hem. De Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen !«

Waar Jezus zoo zwaar lijden moest om Zijn volk te verlossen, zullen daar Zijn verwerpers vrij uitgaan ? Voorzeker neen ! Satan weet dit wel, maar dit juist verzwijgt hij. Wij weten echter uit Gods Woord, dat den dragers van het merkteeken een bittere beker wacht.

Reeds op aarde wacht hun lijden. De Heere giet over de dragers van het merkteeken de fiolen Zijns toorns uit. Hij doet dat door Zijne engelen. »En de eerste ging heen en goot zijn fiool uit op de aarde, en er werd een kwaad en boos gezweer aan de menschen, die het merkteeken van het beest hadden en die zijn beeld aanbaden.«2) Door

1) Matth. 26 : 39. Luk. 22 : 44.

2) Openb. 16 : 2 v.v.

Sluiten