Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden voortgezet. Tusschen Jcerk en sekte is dan ook eigenlijk geen verschil meer. Dit onkerkelijke modernisme, dat zijne belichaming heeft gevonden in den Protestantenbond (waarin moderne leden van verschillende kerken zich dan ook bij elkander hebben aangesloten) is het eigenlijke, consequente modernisme *). Het heeft dan ook de wettige consequentie getrokken door zich af te scheiden van de Ned. Herv. Kerk en zich te constitueeren als „ Vrije Gemeente" (van Hugenholz c.s.).

Er waren echter ook modernen, die inzagen, dat het individualisme historisch zwak staat, die daarom ook de sociale zijde van den godsdienst meer tot haar recht wilden laten komen en die tevens in de historisch bestaande Volkskerken in de verschillende landen een geschikt middel zagen om hunne moderne gevoelens des te gemakkelijker en sneller te propageeren.

Bij ons zijn deze beide standpunten respectievelijk uiteengezet door Rauwenhoff en door Opzoomer in twee merkwaardige brochures, betreffende de verhouding van Kerk en Staat2), waaruit zonneklaar blijkt, hoezeer de

1) Hiernaast staat het kerkelijke modernisme, dat zich in de Vereeniging van Vrijzinnig-Hervormden vereenigt onder leiding van Dr. Niemeijer met het Weekblad voor V.-H. als orgaan.

2) Zie Mr. C. W. Opzoomer, Scheiding van Kerk en Staat, Amsterdam 1875. Deze spreekt hierin duidelijk uit, wat hem doet vreezen voor scheiding: «De radicale scheiding, waar zij tot stand komt, doet inderdaad de clericalen hun doel bereiken». De Staat moet veeleer zijn macht stellen in dienst van den «vooruitgang», d. w. natuurlijk z. het liberalisme en modernisme, en mag daartoe den band met de Kerk niet losmaken. Opzoomer grijpt zich dan op zijne wijze vast aan alle elementen in onze wetgeving, die nog aan de vroegere (op art. 36 gebaseerde) regeling herinneren en komt dan tot deze conclusie in stelling 6 : „De radicale scheiding, gelijk ze in strijd is met het ware staatsbelang, is evenzeer in strijd èn met ons geheel verleden, ook na de Fransche omwenteling van het einde der vorige eeuw, èn met ons heden, met de Grondwet van 1848. Ze zou niets anders zijn, zoo ze bij ons werd ingevoerd, dan eene voor den staat hoogst noodlottige nieuwigheid, die ons langzaam maar zeker onder het oppergezag der kerk en harer geestelijkheid bracht" (bl. 86). Opzoomer wilde dus art. 36 uitwerken in modernen zin. Prof. Rauwenhoff gevoelde zeer goed, dat dit

Sluiten