Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetwelk de H. Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook wij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij uit loutere genade, alleen om de verdiensten van Christus wil" (Vr. 21)

De dwaling in heel de nieuwere (zoowel moderne als ethische) theologie is dus te wijten aan dat eenzijdige en onschriftuurlijke losmaken van de daad en den inhoud des geloofs, van het geloof en de Schrift, van den subjectieven en den objectieven factor.

Wordt het geloof van de Schrift losgemaakt en dus beperkt tot een zekere geloofsdaad op zichzelf, afgezien van allen inhoud, tot een zeker „Godsbewustzijn", hetzij dan al of niet nog in eenig verband gedacht met („vermittelt") door Christus, tot een zeker gevoel, dat men Gods kind is *) en met Hem in betrekking staat, tot een zeker innerlijk, Christelijk, religieus leven, dan spreekt het vanzelf, dat allerlei vertolkingen van dit innerlijke „leven" mogelijk zijn en dat men allen maatstaf om de echtheid van dit „leven" te toetsen heeft prijsgegeven. Men moet dan de echtheid ervan maar aannemen op getuigenis van den mensch zelf. Men moet dus den mensch meer gelooven dan God in Zijn Woord.

Nu trachtte Schleiermacher dit uiterste subjectivisme wel te vermijden door steun te zoeken in de Kerk als historische, godsdienstige gemeenschap. Hij beriep zich daarom gaarne op de Kerk 2) en op den gemeenschappe-

1) Vg. de door Dr. Niemeyer op de groote, Haagsche kerkelijke vergadering van 16 April 1914 voorgestelde belijdenis voor de jonge lidmaten.

2) Evenzoo de la Saussaye Sr. Vg. Dr. A. M. Brouwer, D. Chantepie de la Saussaye, Groningen 1905, bl. 306: „De theologie is eene positieve wetenschap. Zij verklaart het ééne, groote, voor alles erkenbare en door niemand te loochenen feit, het bestaan der Christelijke kerk. Zij is er ter wille van de kerk, nl. om haar zelfbewustzijn te geven. Onder „kerk verstaat de la S.: „het geheel der levensuitingen van den geest die de Christelijke gemeente als zoodanig bezielt, wat wij de kerk mogen noemen, doch alzoo, dat de eenheid der kerk in den geest gezooht worde, waaruit zij ontstaan is en waardoor zij bestaat" (Het wezen der theologie, bl. 54)."

Sluiten