Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«verheid met den eisch om de Kerk te reformeeren naar den Woorde Gods. En als de hoogste overheid onwillig bleek, dan richtten zij zich tot de lagere overheden {„magistratus inferiores"), tot den adel en ten slotte tot het volk als volk 1). Doch het ging hun steeds om het geheel. Zij lieten het ideaal niet los. Ook waar de Kerk geheel was gedeformeerd, grepen zij terug tot het verbond Gods met de volken in hunne organische eenheid als Christenvolken en namen daarin hun uitgangspunt voor de reformatie van de Kerk.

Vandaar dat zij ook den Roomschen doop overal erkenden. Zij handhaafden daarin (in tegenstellling met de wederdoopers) de continuïteit der Kerk. Zij stichtten geen nieuwe Kerk, maar reformeerden de aloude Christelijke Kerk naar de zuiverheid des evangelies. Hunne gedachte wordt duidelijk uitgedrukt in het opschrift op het koorhek van de Oude kerk te Amsterdam

't Misbruyck in Godes Kerck allengskens ingebracht,

Is hier weer afgedaen in 'tjaer 70 en VIII.

Zij waren daarom ook reeds van 't begin der reformatie af aan (niet pas later, zooals prof. H. H. Kuyper ten onrechte heeft beweerd) zeer ruim in hunne doopspraktijk, zooals uit de Acta, door Reitsma en van Veen uitgegeven, overduidelijk blijkt2). Dit komt zeer sterk uit reeds in een brief van Calvijn van 1559 aan Knox. Knox vroeg hem namelijk, of men dan doop mocht bedienen aan onechte kinderen en aan kinderen van „afgodendienaars" (Roomschen) en geöxcommuniceerden. Calvijn antwoordde hierop: „Omdat bij het rechte gebruik van den doop het gezag Gods moet gelden en Zijne instelling moet beslissen, wat recht is, moet men

1) Dit laatste deed Knox in zijn Letter to the Communalty of Scotland.

2) Zie mijn De Doopspraktij k in de oude Gereformeerde Kerk, Leiden A. L. de Vlieger 1905.

Sluiten