Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de eerste plaats vragen, wie God met Zijne stem tot den doop roept. Nu omvat de belofte niet alleen het zaad van elk der geloovigen in het eerste geslacht, maar zij wordt uitgestrekt over duizend geslachten.... Daarom behoort ook het nakroost van vrome voorouders tot het lichaam der kerk, ook al zijn de grootouders of ouders afvalligen geweest." Calvijn concludeerde derhalve: „overal waar de belijdenis van het Christendom niet geheel en al uitgebluscht is, worden de kinderen van hun wettig recht beroofd, als zij van het gemeenschappelijke teeken worden geweerd" 1). De bedoelde kinderen mochten dus wel degelijk gedoopt worden, doch alleen op voorwaarde, dat een bloedverwant van zulk een kind „aan de Kerk zijn geloof betuigde en de zorg voor het onderwijs op zich nam." Zonder zulk een getuige mocht volgens Calvijn de doop niet geschieden.

Geheel in gelijken geest zegt later (in 1649) b.v. Maresius in zijn Breve Systema, dat de kinderen van „bondgenooten" (foederati) moeten gedoopt worden. En hij voegt eraan toe: „De naam „bondgenooten" moet hier zoo algemeen mogelijk worden opgevat, zoodat de kinderen van Roomschen of andere ketters, die den Christelijken naam nog behouden, niet moeten geweerd worden van den doop in de orthodoxe kerk, indien de ouders dit begeerd hebben, of indien zij, die hen ten doop houden (hetgeen echter een zaak is louter van kerkelijke regeling), willen waken voor hunne onderwijzing, wanneer zij opgroeien.... En ook moet de doop niet geweigerd worden aan kinderen van geëxcommuniceerden, daar dezen den christen-naam nog niet geheel hebben afgezworen, en omdat de kinderen niet moeten dragen de ongerechtigheid der ouders". Voor deze ruime doopspraktijk beriep men zich dan op de ruime besnijdenispraktijk.

De bedoeling van dit alles is duidelijk. Men wilde het

1) Corpus Reformator urn. Op. Calvvol. XVII, p. 666 sq.

Sluiten