Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maai zoo bij zijn eigen licht bezien, sluit bet toch duidelijk twee elementen in. Ten eerste is het een besef van het subject aangaande verschijnselen, die in hemzelf zich voordoen; en daarbij kan allerlei inhoud van het bewustzijn uitmaken, niet alleen het waarnemen, herinneren, oordeelen, kennen, maar ook het gevoelen in zinnelijken en geestelijken zin, het wenschen, begeeren, streven, willen, handelen: ik ben mij bewust, dat ik dezen of dien persoon ken, dat ik pijn heb of bedroefd ben, dat ik mij voorneem en besluit, op reis te gaan, enz. Bewustzijn is kennis, besef, „weet" aangaande hetgeen in mij is. En ten tweede is het een onmiddellijk besef; eene kennis, die niet door uitwendige zintuigen en ook niet door opzettelijk onderzoek en ernstige studie, maar rechtstreeks door onmiddellijke ervaring, door den „inneren Sinn", zooals Kant in navolging van den sensus interior van Augustinus en de scholastiek zeide, verkregen is. Want deze ,,innere Sinn" is niets anders dan het bewustzijn zelf; sommige verschijnselen in ons zieleleven hebben de eigenaardigheid, dat ze bewust zijn en anders niet of geheel anders bestaan; als ik iets weet, weet ik tevens, dat ik het weet; zonder het tweede, zou het eerste niet plaats kunnen hebben.

Dit onmiddellijk besef, dat sommige psychische verschijnselen insluiten en medebrengen, draagt dus een begeleidend karakter; het is eene conscientia directa et concomitans. En vele psychologen in den tegenwoordigen tijd meenen, dat het bewustzijn daarin opgaat en dat er niet meer van te zeggen valt. Het bewustzijn is dan niets zelfstandigs, geen kracht eti geen actie, het is niets afgezien van zijn inhoud; het is enkel een spiegel, waarin sommige verschijnselen in het menschelijk leven zich weerkaatsen. Maar kortheidshalve de bezwaren achterwege latende, die zich hiertegen verheffen, vestigen wij er alleen

Sluiten