Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de Orphici, bij Pythagoras en bij Plato voor. Laatstgenoemde verbond er nog de leer mede, dat alle ware wetenschap in den grond der zaak, als kennis van de ideeën, eene herinnering is van hetgeen de ziel in hare praeëxistentie heeft aanschouwd.

Hoe ware anders de mogelijkheid van het leeren te begrijpen, en de tegenwerping der Sophisten te weerleggen, dat men het bekende niet leeren en het onbekende niet zoeken kan? Trouwens, de ervaring levert daarvoor ook het positieve bewijs, want de mathesis kan zonder empirie door nadenken uit den geest zeiven worden voortgebracht, en de algemeene begrippen zouden niet uit de zinnelijke dingen kunnen worden afgeleid, als ze niet vooraf op eene of andere wijze aan het verstand bekend waren.*)

Nu heeft Aristoteles wel met de praeëxistentie der ideeën ook die der zielen verworpen, maar overigens is zijne overeenkomst met Plato veel grooter, dan men dikwerf denkt. Immers, evenals deze, schreef ook Aristoteles aan den mensch meer dan ééne ziel toe, en het gelukte hem evenmin als zijn voorganger, om deze drie zielen tot eene organische eenheid te verbinden.

YToorts leerde hij even sterk als Plato een wezenlijk onderscheid tusschen waarneming en denken, meening en wetenschap, en achtte de laatste gelegen in het kennen van de oorzaken, dat is, van de algemeene, noodzakelijke waarheden, die zelve ter laatste instantie rusten in onbewijsbare, door zichzelf vaststaande axiomata. En ten derde hield ook hij den nous, het intellect, voor een vermogen, dat deze grondstellingen onmiddellijk vermocht in te zien,

*) Zeiler, Die Philosophie der Griechen II 4, 823 v. Spruyt, Proeve van eene geschiedenis van de leer der aangeboren begrippen. Leiden 1879, blz. 6 v.

Sluiten