Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken verschijnselen minder juist zijn. Anderen gebruiken het beeld van een drempel, die de beneden- en de bovenverdieping' in het bewustzijn van elkander scheidt; maai dit beeld is met het oog op den werkelijken toestand van onze voorstellingen niet gelukkig gekozen. Want er is in de gevallen, die wij thans op het oog hebben, geene sprake van eene scherpe grens of eenc diepe kloof, die het bewuste van het onbewuste scheidt, maar veeleer van een zachten, geleidelijken overgang.

Leibniz sprak daarom beter van perception en apperception. Fechner van lagere en hoogere bewustzijnsgolven, Wundt van Blickfeld en Blickpunkt, anderen weder van een geruisch, uit de verte en van nabij gehoord, of van schemering, dageraad en dag.1) Wel is waar vinden deze graden in het bewustzijn bij Von Hartmann scherpe bestrijding; maar dit is te verklaren uit zijne eigenaardige meening, dat het bewustzijn, als opkomende uit de oppositie van den wil, een zuiver negatief karakter draagt, en voorts ook uit zijne zucht, om tusschen bewustzijn en opmerkzaamheid (met zelfbewustzijn) eene zoo scherp mogelijke scheiding te maken.2)

Dat er echter wel degelijk graden in het bewustzijn zijn, weten wij allen bij eigen ervaring. Als wij met een of anderen arbeid ingespannen bezig zijn, worden wij toch nog wel iets gewaar van hetgeen om ons heen gebeurt. Het maakt op dat oogenblik hoegenaamd geen indruk op ons, het dringt (zooals men zegt) niet tot ons door. Maar als ons er later naar gevraagd wordt, herinneren wij ons toch nog dikwerf, dat iets door ons gezien of gehoord is. Wij wandelen bijvoorbeeld in gedachten over straat

') Verg. Weingartner, t. a. p. 30, 34, 36.

2) Von Hartmann, Philosophie des Un'bevv. II 51 v. Die mod. Psych. 39, 40.

Sluiten