Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonde als vrucht van den ellendigen zondeval, hetwelk is de drievoudige dood, nl. de lichamelijke, geestelijke en eeuwige dood. Hierin ziet hij een afgesneden zaak

De aangrijpende vraag, of God daaraan een' wonder zal doen, vloeit hieruit voort, dat Heman in de meditatiën tusschen God en zijn ziel zich bevindt op dien uitgestrekten doodenakker, en dan rijst de vraag: hoe groot is dan het graf wel, waarin hij zichzelf bevindt? En dan antwoorden we u: dat graf is van het eene einde tot het andere einde der aarde, en wel naar luid van Gods Woord, zooals de Heere tot Adam sprak: „De gansche aarde zij vervloekt om uwentwil. Dit woord wordt bewaarheid door de rouwklagers, die dagelijks langs onze straten loopen en aan de dierbare panden, die van onze zijde worden weggenomen.

fcn ondanks dezen ontzettenden toestand van den gevallen mensch, die rechtvaardig hiervoor eeuwig kan afgesneden en verworpen worden, is er toc.h nog een wee waardoor God aan dooden kan en wil, ja wonderen zal doen en zelfs al zoo menigmaal gedaan heeft. Er zijn bewijzen van, dat Hij dit lichamelijk deed, n.1. aan den zoon der bunamietische, 2 Kon. 4, en immers meermalen onder het Nieuwe Verbond. Maar komt, graven we met den profeet Ezechiël nog wat dieper, zoo zullen we nog meer gruwelen vinden, doch daartegenover zal nog veel meer de liefde Gods tot Zijn schepsel uitblinken, als we zeggen, od grond van Gods Woord, dat de mensch levend dood is • d.w.z. dood door de zonden en de misdaden, daarom terecht in het eerste vers genoemd een onderwijzing Hemans. hen vermaning en een ingrijpend woord voor ieder onbekeerd mensch, maar niet minder een onderwijzing voor dat volk, dat uit den dood is levend gemaakt. Ja, voor dat volk, hetwelk kennis heeft aan de banden des doods en der hel. Let slechts op Heman, hij is geen vreemdeling van den Verbonds-God, hij was met Asaf onder de reien der zangers; merkt op het tweede vers, als hij zegt: O, Heere, uod mijns heils! Hij is een levende, want hij roept. En deze levende ziet zich gerekend met degenen, die in den kuil nederdalen. Hij walgt van zichzelven en gruwt van zijn doodsstaat en -stand ; hij ziet, hij ontwaart zijn toestand, dat hij is als een doode uit het hart vergeten, ja hij is doodbrakende. O, 't is den Heere bekend, hoe hij braakte

Sluiten