Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een Christus en dien gekruisigd wordt voorgesteld, toch meent men, dat de dienst der letter, zoo men die op de school geleerd heeft, een beginsel van leven is, en zijn ze dus niet recht te onderscheiden, of het tweede gedeelte van onzen tekst moet gekend en beleefd worden. Dezen die de letter dienen, gaan ten slotte bij den donderenden Sinai liggen slapen gelijk een smidshond onder het aambeeld. En toch, hun naam is genoemd : ze zijn menschen en zullen alzoo sterven, en Mozes, hun meester, zal, als een type der wet, zijn vloekstaf opheffen met het vreeselijke woord • Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen. Ja, de letter zal in haar volzin aangeven de bediening der verdoemenis Zie zoo wordt het gesteld in het 7de vers van ons teksthoofdstuk, in tegenstelling van de bediening des Evangelies. Dit zien we ook in het verbindingswoord „want" (de letter doodt), als de Apostel de bekwaammaking uitdrukt, zooals hij bekwaam gemaakt is tot bedienaar van het evangelie des nieuwen testaments. Dat de letter in zinsnede en volzin krachtige zaken uitdrukt, zult ge dus wel verstaan, als ge met ons let, dat zij dienst doet om al het werk, waarin een heilig en rechtvaardig God eenig gebrek ziet, ten vuure te doemen.

Dit noemt de Apostel een bediening die heerlijk is, waardoor God verheerlijkt wordt, en van den schuldigen letterdienaar, die nooit een oog des geloofs geslagen heeft op de volkomen gehoorzaamheid van Christus, van dezen zeg ik met onzen grooten Leeraar: „Zij zijn gelijk de kinderen, die op de markt elkander toeroepen: Wij hebben u klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend, wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst". Daarom zullen we als levenden den Heere loven en niet onszelven aanprijzen, en zullen we, voor Gods knechten, voor Zijn liefde en voor Zijne kinderen, niet een gesloten brief der wet zijn, waardoor wij ons schuil houden onder de bedekselen der schande. Zoo zal het dus noodig zijn, dat we kennis hebben aan het werk des H. Geestes. Wij wenschen u dan ook nader te bepalen bij het tweede gedeelte van onzen tekst, nl.:

2e. Maar de Geest maakt levend.

Letten we dan ten eerste:

a. Welke voorwerpen Hij levend maakt. En dan antwoor-

Sluiten