Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoeken naar heigeen herboren is. En ziet, dat wordt ons duidelijk, als we letten op wat het woord zoeken veronderstelt; het veronderstelt dat men wat verloren is.

Komt, laat ons zien en naspeuren:

Wat hij verloren is en tot wien dit bevel komt.

Zijn naam is mensch, en door den Heilligen Geest wedergeboren wordt hij indachtig gemaakt, wat hij bezat en wat hij verloren is. Hoe eenvoudig! en toch, hoe weinig wordt het recht beleefd, want hij wordt gewaar, dat hij zijn verstand kwijt is, zoodat Salomo zegt : De dwaas zegt zelf dat hij een dwaas is, en in Spreuken 12:23 heet het: Het hart der zotten roept dwaasheid uit. Hoort den zoekende bidden: Geef mij verstand met Godd'lijk licht bestraald. Nog erger, die mensch is het gezicht kwijt en dus blind, ja meer nog: hij is doof en hoort dus het bevel des Konings niet, ook al zendt Hij een heraut voor Hem uit om te roepen in de woestijn. O! wat een onheilen, want hoort hij nader en wordt hij ontdekt, dan is hij zijn spraak verloren, en wordt omschreven te zijn als de stomme honden, die van nature niet bassen. Ja, treuriger nog: die mensch is zijn kracht verloren, en vandaar hoort ge een zoekende zelfs klagen: Al mijn krachten zijn van mij geweken. Ten slotte, die mensch is zijn leven verloren. Daarom betuigt zelfs een zoeker en een vinder, met name Mefiboseth: lk doode hond, en Daniël belijdt: Van nu aan is geen kracht in mij en geen adem. Dit alles verklaart ons toch, dat het tot een ernst aandringt om het verlorene weer terug te vinden, want de Heilige Geest, die ook van den Vader en den Zoon uitgaat, maakt hem indachtig waar hij het verloren is. Is hij het verloren, toen hij met woord en daad is gaan zondigen ? O, neen, toen was hij het al kwijt. Is hij het bij zijn geboorte verloren ? Ook toen reeds miste hij het. Het wordt hem evenwel duidelijk, dat hij het verloren is in het paradijs. O, daar moet hij wel uitroepen: Wee mij, dat ik zoo gezondigd heb ! Ja, hij komt zelfs te weten, hoe hij het verloren heeft, en vraagt 't zulk een mensch, of hij het heeft laten vallen, of dat het hem ontroofd is, en hij zal u antwoorden : O neen, maar ik heb mij vrij- en moedwillig van al deze gaven beroofd. En wat nu tengevolge van dit verlies en deze gruwelijke zonde het vreeselijkst is: hij is God kwijt en Zijn zalige gemeenschap.

Sluiten