Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeiden, dat hierdoor de mensch afgebeeld wordt, zoo heeft het geen nader betoog noodig, om daardoor te verstaan, dat de menscli, die heilig en onbevlekt geschapen is, zich geheel bemodderd heeft door de zonde. Hij werd verdorven als leem, vuil, walglijk voor het oog. Waardoor? Wel immers wordt hierin klaar de zondeval voorgesteld niet alleen, maar ook, hoe het nationale Israël het voor God heeft verdorven. Het werd als leem, dus was het verbroken. Wat werd er verbroken ? Immers het verbond ! Zoo werd verbroken de geheele verbinding, zoodat de Heere naar recht voor eeuwig een voleinding kon gemaakt hebben en hen voor eeuwig verwijzen naar dien poel, die brandt van vuur en sulfer. Want, naar luid van onzen tekst is het vat in de hand des pottenbakkers; kan Hij er niet mede doen wat Hem behaagt ? Is de mensch, die zich verpand heeft aan den vorst der duisternis, niet in Gods hand ?

Draagt hij door Hem niet den adem in zijne neusgaten ? O, wat een les als men het door genade leert verstaan, dat wil zeggen, dat wij ontwaren, dat wij zóó diep gezonken zijn, dat we alles verbroken hebben. Ja, dat het waar zal zijn, wat de profeet zegt: Dat er geen potscherf meer zal overschieten om water te scheppen. Wee dus, die met zijn Formeerder twist. Zij zijn toch in Zijne hand, Hij ontfermt Zich diens Hij wil en verhardt dien Hij wil; en wie zal tot Hem zeggen: wat doet Gij? De arme blinde mensch is rijk zonder geld en wijs zonder verstand, want hij heeft zijn verstand en al zijn schatten en gaven verdorven, ja zijn gansche leven (het werd een verdorven vat). In dat vat is dus nog een verduisterd verstand, een verkeerde wil, een verdorven natuur. Nog eens: het is een gansch verdorven vat, dus een gansch verdorven mensch.

Zóó diep verdorven, dat er niemand is die naar God, naar zijn Maker vraagt, o neen, maar integendeel tegen zijn Formeerder opstaat en met Hem twist. Verdorven dus, wie zal dit herstellen? Verbroken dus, wie zal het helen ? Leem, dus gansch onmachtig, als vrucht van hun diep bederf; ja, het deugt nergens meer toe, dan om van elk vertreden te worden. En toch, in weerwil van dit verdorven vat en van het gruis in des pottenbakkers huis is de Pottenbakker aan 't werk. Wat doet hij? De verbroken schenen aan elkander lijmen? O neen, want, zoo lezen wij verder: „Toen maakte

Sluiten