Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen des geloofs, klein en groot; luistert slechts wat er staat in Hand. 4:32: En der menigte van degenen die geloofden, was één hart en ééne ziel. Het is een schaap, al lijkt het een vos; het is een lid van het ééne lichaam, en ligt onder het zegel der verkiezing. En, vraagt ge wellicht, weet het schaap dit ? dan antwoorden we u: Het weet niet eens onderscheid tusschen een schaap en een vos, het weet niet eens of het dood dan wel lévend is. Waarom ? Immers, het was verloren en al die schatten en gaven was het kwijt, en waar wij de vraag beantwoordden, waarom die verlorene schapen aan Gods zijde in Christus één genoemd worden, dan moeten we u tevens zeggen, dat zij ook één zijn in den bloede Adams. Uit éénen bloede gemaakt, uit den vader der duivelen; zij hebben eenerlei hart, zijn één in hun hoofddoel, nl. om God naar eer en kroon te staan. Ja, ze zijn tot één vleesch, en de wereld heeft het hare lief. Genoeg dus, waarom hier gesproken wordt van één schaap.

Letten we nu, waarom er gezegd wordt: „Wat mensch onder u, hebbende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vindt?" „Wat mensch!" De Heere spreekt hier van zichzelven, als des menschen Zoon, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet. Hij schetst de waardij van het verloren schaap en, let wel, de 99 kunnen in waardij niet opwegen tegen dit ééne; neen, Hij verlaat ze, en die de waarde van het ééne kent, verlaat ze met Hem. Evenals een bruid, die, onder gezelschap van honderd jongedochters, dit verlaat, al ware het ook, dat de bruidegom door heggen kruipen en slooten doorwaden moest, hij zou niet rusten voor hij ze vond. Welaan dan, het is Zijn beminde. Hij heeft er het hart op gezet; ten andere heeft Hij er borg voor gesproken om te zorgen, dat het goed en wel op den stal zal komen. Dat ééne is Hem meer waard dan de geheele wereld, want daarvoor bidt Hij niet eens, maar voor dat ééne zal Hij Zijn leven zetten. (Joh. 10.)

Wel, zoo vraagt men, dan is het toch zeker wel een mooi schaap en van edel ras ? Neen, het is een van de leelijkste, meest vervuilde, bemodderde schapen, naakt (dus zonder wol) en een vijand van den Herder, Het behoeft dus

Sluiten