Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4e. De gelijkenis ontcijferd.

De gelijkenis wordt ontcijferd in den hemel, als er een zondaar, een verloren ziel wordt opgezocht en zich tot den Heere bekeert. En hoewel niemand van nature zich bekeert, toch doen zij het, omdat Hij hen opzoekt, ze opneemt en in Zijne leerschool plaatst, en ze gewillig maakt op den dag Zijner heirkracht; zoodat Hij Zijne vrienden en geburen te zamen roept om blijde te zijn met de blijden. Daarom moesten Hem de hemelen dan ook ontvangen tot de wederoprichting aller dingen, als Hij Zijn schaap over dood en graf gedragen had. Daar in die stad, die fondamenten heeft, galmen de cherubijnen het driewerf heilig uit voor een drieëenig God ; daar jubelen Zijne gedragen schapen : Gij, o Lam Gods, zijt waardig te ontvangen lof, eer en aanbidding !

Maar het wordt ook ontcijferd door den H. Geest, die alle dingen onderzoekt, zelfs de diepten Gods voor Zijne kinderen hier op aarde, zoodat er in de tenten der vromen gejuich en blijdschap is over een schaap, dat verloren was, doch door den Heere opgezocht, gevonden is en gedragen wordt. Want Hij droeg hunne zonde en ongerechtigheid naar een zee van eeuwige vergetelheid.

En, zoo vraagt ge, wie zijn nu die 99 rechtvaardigen ? Wij antwoorden u: Daarover heerschen verschillende meeningen, belachelijk zelfs. Er zijn er die meenen, dat het de rechtvaardige engelen zijn. Indien dit zoo was, dan zou er voor afgevallen engelen ook nog genade zijn. Anderen denken, dat het de verlosten zijn, maar onze tekst zegt, dat Hij ze verlaat in de woestijn. Er zou dan in den hemel nog een woestijn moeten zijn en een afval der heiligen plaats hebben. Weer anderen meenen, dat het de gerechtvaardigden door het geloof zijn, en dat het genoemde schaap het bekommerde is. Hoewel wij gaarne toestemmen, dat het opzoeken door den Heere na ontvangene genade bij voortduring noodig is, wenschen wij hiermede toch niet in te stemmen, want er is niet ééne trap in de genade, al zijn we nog zoo ver gevorderd, dat we geen bekeering meer van noode hebben. Integendeel, hoe meer genade wij mogen verkrijgen, des te meer we bij aan- en voortgang noodig hebben om bekeerd te worden, en dat in eiken stand van het genadeleven. Ja, zelfs een dagelijksche bekeering be-

Sluiten