Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 106 )

zich niet bijzondere staten voor oogen moet stellen, maar veelmeer „die Idee, diesen wirklichen Gott, für sich betrachten muss". Daarom doorloopt ook deze staatsidee hare geschiedenis, zij realiseert zich langzamerhand door oorlogen en gerichten heen, want de wereldgeschiedenis is wereldgericht, totdat zij de waarachtige verzoening bereikt, waarin de staat ten volle tot beeld en werkelijkheid der rede ontvouwd is. ')

In deze philosophie van Hegel ligt nu wel de schoone gedachte uitgedrukt, dat de staat, met zijn recht en zijne macht, niet op toeval en willekeur, maar ter laatste instantie op rede berust. Maar het valt toch niet te ontkennen, dat hij daarbij het onderscheid tusschen het Seinsollende en het Dasein al te zeer uitwischte, en alzoo restauratie en conservatisme op bedenkelijke wijze in de hand werkte. Want als het Absolute zichzelf realiseert en er zorg voor draagt, dat alles op zijne plaats en in zijn tijd redelijk en zedelijk is, wat blijft er voor den staatsburger aan recht en vrijheid anders over, dan om zich bij het bestaande neer te leggen, aan den geapotheoseerden staat zich willoos te onderwerpen, en hoogstens ernaar te streven, dat hij wat bestaat in zijne redelijkheid begrijpe 2).

Voorts, als Hegel van natuur en daarin van eene ontwikkeling sprak, zoo geschiedde dit in geheel anderen zin, dan straks na hem plaats hebben zou. De natuur stond bij Hegel evenmin als bij Goethe tegenover den geest, maar deze had de logische prioriteit en kwam in de natuur, in heel de wereld met hare verschillende rijken, tot altijd liooger en rijker openbaring. Hierin kwam het Duitsche idealisme met de leeraars van het natuurrecht overeen, wier gebruik van dit woord herinnert aan den tijd, toen natuur nog de gansche wereld, niet alleen de physische maar ook de psychische, omsloot.

Maar na Hegel kwam, door de „Uinstülpung" zijner philosophie bij Feuerbach, door het historisch materialisme van

') t. a. p. bl. 408—432.

') Dr. G-. Falter, Staatsideale unserer Klassiker. Leipzig Hirschfeld 1911 bl. 125 v. Stahl, Philosophie des Rechts Is 414 v.

Sluiten