Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( H8 )

*

rechtsphilosophie deze definitie: zij is die Aufsucbung des transzendentalen Ortes oder der typisclien Wertbeziehungen des Rechts, die Erage nach seinem Eingespanntsein in einen Weltanschauungszusammenhang.')

Indien zedelijkheid en recht zoo nauw aan elkander verwant zijn, baart het groote moeielijkheid, duidelijk het onderscheid aan te wijzen, dat tusschen beide bestaat. Handhaving van het verband is ook en werd blijkens de historie steeds belangrijker geacht dan aanwijzing van het onderscheid; want afgezien van eene distinctie tusschen den volkomen en den onvolkomen plicht bij de Stoa2), kwam de vraag eerst aan de orde, toen sedert Grotius het natuurrecht meer en meer van de ethiek losgemaakt en op den grondslag van een maatschappelijk verdrag opgetrokken werd. Gevolg was daarvan toch, dat dwang in de idee van het recht moest worden opgenomen, wijl een verdrag onder menschen weinig zekerheid bood, als het niet door dwang gehandhaafd werd. Zoo kwamen zedelijkheid en recht los naast elkander te staan; het recht had niets met de zedelijkheid, d. i. met de innerlijke gezindheid te maken, maar alleen met de daad (en deze kon door den sterken arm der overheid worden afgedwongen), en de zedelijkheid bekwam eene eigene sfeer, totaal gescheiden van die van het recht.

Bij Pufendorf en Thomasius, die deze leer ontwikkelden, bleef er echter toch nog eenig verband tusschen beide bestaan, wijl het recht met den staat en den dwang aan het welzijn der volken ondergeschikt werd gemaakt, en de moraal in dienzelfden tijd op een eudaemonistischen grondslag opgebouwd werd. Maar ook deze band werd verbroken, toen Kant optrad en het eudaemonisme radicaal verbande uit de ethiek. Moraliteit is er voor Kant alleen dan, als het goede enkel en alleen gedaan wordt om zijns zelfswil, uit achting voor den plicht; waarachtig en onvoorwaardelijk goed is alleen de goede wil. Moraliteit heeft het dus alleen met de gezindheid, met het

') Emil Lask t. a. p., bl. 5.

!) Zeiler, Pbilos. d. Gr. 111 1', bl. 245, 2ü4 v.

Sluiten