Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 119 )

karakter te doen; haar gebod komt van binnen tot den mensch, in den kategorischen imperatief, en beschikt alleen over innerlijken drang. Legaliteit daarentegen let niet op het inwendige en bekommert zich om geen motieven; zij is met de daad, met de uitwendige handeling tevreden, komt met haar gebod van buiten tot den mensch eu handhaaft het met uitwendigen dwang. Moraliteit bedoelt, den innerlijken vrede in de ziel, legaliteit, den uitwendigen vrede onder de menschen te bewaren ').

Deze onderscheiding oefende sterken invloed uit. Ze ging niet alleen gewijzigd over in de philosophie van Fichte, Schelling, Hegel enz., maar werd niet zelden ook tot eene onverzoenbare tegenstelling uitgewerkt. Aan de eene zijde kwam dan een man als Nietzsche te staan, die de gewone moraal onderstboven keerde, en alleen het recht van den sterkste erkende; aan de andere zijde iemand als Tolstoi, die in naam van de op de bergrede gebaseerde weerloosheid heel den staat met zijne justitie, politie en militie in den ban verklaarde. Veel grooter is echter het aantal van hen, die, deze uitersten vermijdende, onderscheid maken tusschen individueele en staatsmoraal, en daarmede een allergewichtigst probleem aan de orde stellen.

Dat er nu, hoewel geene scheiding, toch onderscheid bestaat tusschen ethiek en politiek, tusschen zedelijkheid en recht, kan moeilijk worden betwijfeld. Maar het is aan bedenking onderhevig, of het op de genoemde wijze zich aangeven laat. De gre::s tusschen beide kan immers moeilijk als die tusschen de inwendige gezindheid en de uitwendige daad worden getrokken, want de zedelijkheid heeft niet alleen met den wil en het karakter, maar ook met de handelingen en daden te doen; een goede boom moge vanzelf en natuurlijk goede vruchten voortbrengen, het goede blijft toch eene qualiteit zoowel van de vruchten als van den boom. En omgekeerd is het recht niet met de louter uitwendige opvolging der wet

') Kant, Metaph. Anfangsgründe der Rechtslehre. Koningsberg 1797, Einleitune. Yersr. verder Geesink, Zedelijkheid en Eeelit. Amsterdam 1909 bl. 110.

Sluiten