Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 124 )

terecht dat ethisch minimum genoemd, dat de overheid binnen den kring van hare bevoegdheid staande houden kan en moet, opdat juist het eigenlijke zedelijke en voorts heel het menschelijk leven in al zijn diepte en breedte zich ontwikkelen en heel het volk den rijkdom van zijne krachten en gaven ontplooien kan. Het recht draagt daarom, inzoover het door de overheid onder zijne bescherming gesteld is, steeds een dienend karakter. Het volk is er niet om de overheid, maar de overheid om het volk; de staat om de gemeenschap.

Uit deze onderscheiding tusschen zedelijkheid en recht vloeit voor, dat men tot zekere hoogte mag spreken van eene individueele en eene staatsmoraal. Er ligt n. 1. waarheid in de omschrijving, dat de staat macht is; zelfs, als Berolzheimer de politiek staatsmachtsleer noemt, is deze definitie wel licht voor misverstand vatbaar, maar toch op zichzelf nog niet verkeerd *). De fout begint eerst daar, waar de macht van den staat als doel wordt voorgesteld en ophoudt, middel voor de handhaving der gerechtigheid te zijn. Feitelijk zien we dat telkens gebeuren, in de binnenlandsche en in de buitenlandsche, in de groote en in de kleine politiek, in de politiek der partijen en der staten. En wie eenmaal dezen weg inslaat en dan, ongelukkigerwijs, zijn streven met succes bekroond ziet, komt van kwaad tot erger en schrikt ten slotte voor geen leugen en bedrog meer terug. Reeds Plato klaagde in zijn tijd over die gewone politici, die den staat willen dienstbaar inaken aan eigen belang en eer, en hun geslacht is ook heden nog niet uitgestorven. Maar geene overtreding doet het recht der wet te niet. De staatsmacht is en blijft naar haar wezen aan de gerechtigheid dienstbaar.

Deze roeping van den staat brengt eigenaardige verplichtingen mede, maar verplichtingen, die niet vallen buiten, maar binnen de grenzen der ethiek. Over die roeping bestaat groot verschil van gevoelen, maar hetzij men den staat als rechtsstaat of als cultuurstaat of als een combinatie van beide

*) In het reeds boven aangehaalde Handbuch der Politik I 14.

Sluiten