Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gord, gord, o Held! Uw zwaard aan Uwe zijde, Uw blinkend zwaard, zoo scherp gewet ten strijde;

Yertoon Uw glans, vertoon Uw Majesteit;

Rijdt zegerijk in Uwe heerlijkheid Op 't zuivre Woord der waarheid; rijd voorspoedig, En heersch alom rechtvaardig en zaohtrnoedig. Uw rechterhand zal 't Goddelijk rijk behoên,

En in den krijg geduchte daden doen.

Uw pijlen, fel van Uwen boog gedreven.

Zijn scherp en doen gehoele volken beven;

Zij vellen neer wat Uw vermogen tart;

En dringen diep in 's vijands wrevlig hart.

Gij zult, o God! in eeuwigheid bekleeden Den vasten troon van Uw gerechtigheden;

De rijksstaf, dien Uw hooge Majesteit In 't Godsrijk zwaait, heerscht met rechtmatigheid.

I.

In het hoofdstuk, onzen tekst voorafgaande, heeft de Heilige Geest ons ter leering voorgehouden, dat God Zijn heiligen wil en voornemen van alle eeuwigheid heeft vastgesteld en dat Hij ook Zelf dat voornemen zal volvoeren. Dat voornemen en die raad was evenwel voor alle schepselen verborgen. Slechts Een werd er gevonden, die dat geheimnis kon ontsluiten en den wille Gods kon doen naar Zijn welbehagen. Die Eene was het Lam Gods geslacht vóór de grondlegging der wereld. In het hoofdstuk, waaraan wij onzen tekst hebben ontleend, wordt tot onzen troost ons voorgehouden hoe de Heere Christus datgene, wat Hij eenmaal heeft volbracht, ook verder ten uitvoer brengt. In Zijn lijden en sterven heeft Hij het zegel verbroken, hier wordt ons de uitwerking van dat gebroken zegel vertoond. Met andere woorden: Christus heeft in Zijn verlossingswerk den raad Gods volbracht en Zijne Gemeente verlost. Hier wordt ons getoond, hoe die

Sluiten