Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vereeniging aaneengesloten hehben, bezield door de meening, dat door de nieuwere geesteswetenschap of anthroposophie een band geschapen moet worden tusschen de groote vorderingen van het leven, dat staat in het licht van natuurwetenschappelijk inzicht en het godsdienstig leven van den mensch. Van de natuurwetenschap kan men zeggen, wanneer men werkelijk in haar beteekenis doordringt: zij voert tot een beeld der wereld, waarin in het geheel geen plaats is voor het eigenlijk wezen van den mensch. Terwijl ik dit uitspreek, spreek ik niet van mijn opvatting, maar van datgene, wat een onbevangen beoordeeling van de natuurwetenschappelijke onder* zoekingen reeds nu met volle klaarheid in het licht stelt, en waarin alleen maar dat tijdperk zich kon vergissen, dat de resultaten der natuurwetenschap weliswaar met recht mocht bewonderen, maar haar grenzen nog niet kon onderscheiden. Eenige natuuronderzoekers hebben het juiste binnen zekere grenzen sedert lang erkend; en beroemd is immers de rede, welke Du Bois—Reymond in 1872 in Leipzig heeft gehouden, en die hij geëindigd heeft met het ignorabimus: wij zullen nooit weten. Deze groote onderzoeker meende: hoezeer men ook de ges heimen der natuur volgens natuurwetenschappelijke methoden onderzoekt, men vindt toch ten slotte nooit de mogelijkheid datgene te begrijpen, wat als bewustzijn in de menschenziel leeft, ja men vindt zelfs niet de moge* lijkheid te begrijpen wat aan de stof zelf ten grondslag ligt. Natuurwetenschap is niet in staat, stof en bewustzijn, die in zekeren zin de beide uiteinden van het menschen* leven zijn, te begrijpen. Men kan zeggen, dat de natuur* wetenschap tot op zekere hoogte den mensch als geestelijk wezen verdrongen heeft uit het wereldbeeld, dat zij zich schept. Dat bespeurt men, wanneer men den blik richt op de voorstellingen, die op natuurwetenschappelijken bodem over de ontwikkeling van de aardplaneet ont* sproten zijn.

Sluiten