Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zuiver geestelijke bestaanstoestanden tusschen dood en nieuwe geboorte.

Ik heb hiermede een en ander geschilderd uit de anthro* posophische wereldbeschouwing, dat voorzeker slechts zeer schetsmatig voorgesteld kon worden, want ik zou vele uren moeten spreken, indien ik ook maar bij bena* dering wilde aangeven, hoe de weg van onderzoek loopt, die er toe leidt, zulke gedachten uit te spreken als hier geuit zijn. Wellicht kan men er zich door het gespro* kene echter ook een denkbeeld van vormen, dat deze dingen geheel berusten op een zorgvuldig, nauwgezet onderzoek, waarvoor het toepassen van bijzonder ont* wikkelde kenvermogens een vereischte is, en niet op willekeurige beschouwingen eener fantastische bespiege* ling of wijsbegeerte. Door dit onderzoek wordt aan dat* gene, wat de natuurwetenschap vermag te zeggen over het lichamelijke van den mensch, het geestelijke toegevoegd, dat ons op dezelfde wijze omgeeft als wij als physieke wezens omgeven worden door de physieke buitenwereld.

In deze wereld, die door het geestesonderzoek geopen* baard wordt, ontmoeten wij in de eerste plaats wezens, die even zoo etherisch naar beneden groeien in de rich* ting der aarde als de planten physiek uit de aarde naar boven groeien. In deze etherplanten hebben wij om zoo te zeggen de eerste voorboden van geestelijke wezens en geestelijke krachten, waarmede wij ons verbinden, zooals wij met onze zintuigen ons met de zintuigelijke wereld verbinden. Maar terwijl wij de geestelijke wereld leeren kennen, waaruit het menschelijk astraalleven, het mensche* lijk »ik« ontspruiten, leeren wij een geestelijke wereld met werkelijke geestelijke wezens in onze omgeving kennen, waar wij met onze ziel deel van uitmaken, zoo* als wij met ons lichaam deel uitmaken van de physieke wereld ; wij leeren de wereld kennen, waarin de menschen vertoeven, die reeds vóór ons door de poort des doods

Sluiten