Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn gegaan. Ook ditmaal moet er weder met klem op gewezen worden, dat men niet mag gelooven, dat het geestesonderzoek tracht tot de dooden in een of andere betrekking te komen — reeds in de vorige voordracht heb ik daarover gesproken — die van menschelijke wil* lekeur uitgaat. Indien wij in de nabijheid van een doode zullen komen, dan moet dit van den doode zelf uitgaan. Dan kan het inderdaad mogelijk zijn, dat wij door zijn wil een openbaring van hem in het beeld, dat zich aan het »geestesoog« voordoet kunnen verkrijgen, zooals wij andere mededeelingen uit de geestelijke wereld erlangen. Maar alles, wat uit het rijk der dooden komt, behoort tot datgene, wat de geestesonderzoeker altijd slechts met eerbiedigen schroom zal naderen. Datgene echter, wat wij van de geestelijke wereld kunnen leeren kennen door opzettelijk gewilde ontwikkeling van onze vermogens, dat is het, wat ons zelf aangaat, wat antwoorden in zich sluit, waarnaar die menschen smachten, die geestelijke behoeften hebben zooals ze bedoeld zijn in de voordracht van heden, behoeften, die geheel natuurlijk te voorschijn treden uit het tegenwoordige ontwikkelingstijdperk der menschheid.

Even onvermijdelijk als dit ontwikkelingstijdperk tot de nieuwere inzichten der natuurwetenschap geleid heeft, zal het ook tot de geesteswetenschap voeren. Steeds zullen meer menschen tot de erkentenis moeten komen, wat heden ten dage nog vaak betwijfeld wordt, dat geesteswetenschap in het minst geen afbreuk doet aan het godsdienstige gevoel, aan het godsdienstige leven van de menschen, maar, integendeel, dat ze den band zal vormen, waardoor juist de mensch, die zich in het tijdvak van den bloei der natuurwetenschap ontwikkelt, wederom verbonden zal worden met de geheimenissen, die hem ten deel kunnen vallen door de godsdienstige openbarin* gen. Echte geesteswetenschap is evenmin in eenige tegen* spraak met de natuurwetenschap, als ze iemand kan vervreemden van het godsdienstige leven.

Sluiten